3755

Syrië onder Romeinse overheersing (64 v. Chr. - 491 n. Chr.)

Syrië; Arabisch schiereiland (200 - 500)
De eindeloze conflicten tussen twee linies van de Seleuciden bepaalden de laatste decennia en leidden tot de definitieve ondergang in 64 v. Chr., toen de Romeinen hier door het optreden van Gnaeus Pompeius Magnus maior hun gezag vestigden en de provincie Syria stichtte.

De Romeinen vestigden in deze provincie belangrijke bases. Zo breidden zij de stad Palmyra - die in 30 door Germanicus bij de provincie Syrië werd ingelijfd - sterk uit.

In 54 v. Chr. vertok Marcus Licinius Crassus als proconsul naar Syria. In 53 v. Chr. sneuvelde hij na een vernietigende nederlaag bij Carrhae tegen de Parthen. Hierdoor viel het Eerste Triumviraat uit elkaar.

In 40 v. Chr. zagen de Parthen onder Orodes II hun kans schoon om in de aanval te gaan. Geholpen door een aantal mensen uit de Republikeinse partij nemen zij Syria en Asia Minor in. Marcus Antonius reageerde hierop en sloot vrede met Octavianus in Brundisium.

Publius Quinctilius Varus werd proconsul van Syria. Hij stond bekend als een onbekwame veldheer en als een tiran. Dio schreef hierover: Hij kwam (in Syria) als een arme man in de rijkste provincia en vertrok als een rijk man uit de armste provincia.

Syrië en het gebied daarom heen waren voor de Romeinen van groot belang, omdat zij hierdoor de handel met het verre oosten (India, China) onder controle hadden. De grote karavaanroutes uit Arabië, India en nog verder weg eindigden daar bij de stad Palmyra. Deze stad, tussen Damascus en de Eufraat, aan de rand van de Syrische woestijn, had het alleenrecht voor alle handel in kostbare oosterse producten als edelstenen, zijde, kostbare houtsoorten, reukwerken en specerijen, met name peper. Vanaf deze stad werden de goederen naar de grote havens Antiochië en Caesarea vervoerd om van daar naar Rome te worden verscheept. 

Palmyra werd door deze handel een van de rijkste en grootste steden van het Midden-Oosten. In 30 werd deze rijke oasestad door Germanicus bij de provincia Syria ingelijfd. Lange tijd diende het als een bufferzone tussen Syria en de vijandige Parthen. 

Midden juli 69 sloten de legioenen van Syria, onder leiding van Gaius Licinius Mucianus zich aan bij Vespasianus. In augustus rukte Mucianus met het Syrische leger van zo'n 20.000 man op naar Italia. Op 21 december arriveerde hij met zijn Syrische leger en herstelde hij de orde.

Faustina de Jongere, de dochter van Antonius Pius liet in 175 de gouverneur van Syria, Gaius Avididus Cassius, in opstand kon komen tegen Marcus Aurelius (de echtgenoot van Faustina), om te voorkomen dat haar zoon Commodus de doodzieke Aurelius zou opvolgen. Zij kende zijn zwakheden maar al te goed en gaf daarom de voorkeur aan de volgens haar veel geschiktere Cassius, met wie zij waarschijnlijk een buitenechtelijke relatie op na hield. Marcus Aurelius herstelde echter van ziekte en slaagde erin de opstand van Cassius neer te slaan.

Hoewel er limes waren aangelegd in Syria, trok Publius Aelius Hadrianus kort na zijn troonsbestijging (117 n. Chr.) de Romeinse garnizoenen terug uit Armenia, Syria en Mesopotamia.

Toen keizer Marcus Macrinus (217 - 218) op 8 juni 218 door de legioenen bij Antiochia in Syria werd verslagen, werd Elagabalus (218 - 222) keizer. Deze was opgegroeid in Emesa in Syria en priester van de zonnegod El Gebal, waaraan hij zijn agnomen (bijnaam uit persoonlijke verdiensten) dankt. Hij zal maar kort het Imperium Romanum leiden.

Rond 241 begon Shapur (Shahpur, Sapor) l Shapur I de Romeinse gebieden binnen te vallen. Hij drong ver door in Armenië en viel ook de Romeinse legioenen in Noord-Syrië aan. De strijd eindigde in 244 in een enorme veldslag aan de grens van Babylonië, bij Misiche (nabij de huidige Iraakse stad Fallujah of Falluja (Al Fallujah) met de grootste nederlaag in de Romeinse geschiedenis, waarbij keizer   Gordianus lll sneuvelde. Meer dan 60.000 Romeinse soldaten werden gevangengenomen en Rome was gedwongen een groot bedrag (500.000 dinaren) als schatting aan de Parthen te betalen. 

In 258 werd de oorlog hervat. Na enkele nederlagen zocht keizer Valerianus (253 - 260) de Perzische heerser Shapur op. Hij slaagde erin Shapur uit Syria te verdrijven, maar de onderneming eindigde voor de Romeinen in een catastrofe. In 260 werden zij bij Edessa opnieuw verslagen. Meer dan 70.000 Romeinse soldaten raakten in Perzische gevangenschap. Ook de keizer  die met een kleine delegatie voor onderhandelingen was gekomen, viel levend in handen van Shapur. Opnieuw moesten de Romeinen een hoge schatting aan de Perzen betalen. De 65-jarige Valerianus onderging gedurende weken of maanden de verschrikkelijkste vernederingen voor hij uiteindelijk werd terechtgesteld en als opgezette trofee in het koninklijk paleis werd tentoongesteld.

Na zijn morele overwinning viel Shapur Syria opnieuw binnen maar ditmaal werd hij verslagen door Callistus "Ballista", praefectus aangesteld door Gallienus (253 - 268), de zoon van Valerianus. 

In de strijd tegen de Perzen streed Odaenathus van Palmyra aan de zijde van de Romeinse keizer Valerianus (253-260) Zonder die steun zouden de oostelijke provincies voor Rome vermoedelijk geheel verloren zijn gegaan. 

Odaenathus verdreef in 260 de Perzen van Romeins grondgebied en heroverde voor de Romeinen Mesopotamia. In 266 versloeg hij een van de grootste Romeinse vijanden: de Parthische koning Sapor I. Als dank voor zijn grote verdiensten kreeg Odaenathus het bestuur over de oostelijke provincies toegewezen. Het bondgenootschap sloeg echter om in vijandschap, nadat in 267 de koning en zijn oudste zoon werden vergiftigd. De ambitieuze koningin Zenobia, die haar man samen met haar zoontje was opgevolgd verdacht Gallienus van de moord op haar man en bestreed de Romeinen tot in Egypte. Uiteindelijk moest zij het onderspit delven en het machtige Palmyra werd verwoest.

Marcus Aurelius Probus die in 276 door keizer Marcus Claudius Tacitus (275 - 276) tot legatus Augusti pro praetore van Syria en praefectus Alexandriae et Aegypti. Na de moord op Tacitus in datzelfde jaar riepen Probus' troepen hem uit tot keizer.

Carus- Numerianus en Carinus (283-285)

Diocletianus (285 - 305 n. Chr.)

Galerius - Maximinus ll (305 - 313 n. Chr.)

Licinius - Constantijn de Grote (313 - 337 n. Chr.)

Constantius l (335 - 337)

Constantius ll (337 - 353) - Constantius ll (353 - 361 n. Chr.)

Julianus (361 - 363) - Jovianus (363 - 364) - Valens (364-379) - Theodosius (379 - 395)  

Arcadius (395 - 408 n. Chr.)

Theodosius ll - Marcianus (408 - 457)

Leo l -  Leo ll - Zeno (457- 491 n. Chr.)

Syrië onder Byzantijnse overheersing

laatst bijgewerkt: 14-04-06

colofon