2865

Marcus Aurelius - Lucius Aurelius Verus (167 - 180)

Marcus Aurelius en Lucius Verus (161 - 167)
De  jaren 166 - 169 werden gekenmerkt door verschillende oorlogen die voor Marcus Aurelius en Lucius Verus succesvol verliepen. 

Onder leiding van de Marcomannen deden de Germaanse stammen, waaronder de Quadi in het jaar In 167 n. Chr. een inval in de provincie Pannonia, het tegenwoordige Hongarije. 

Vervolgens gingen zij in zuidwestelijke richting, trokken de Alpen over en drongen Noord-Italië binnen. De Marcomannenoorlogen waren begonnen. Zodra de Germaanse stammen door de grensversterkingen heen waren, lag het land voor hen open, want alle Romeinse troepenonderdelen van betekenis waren nu naar de grens verlegd. En de burgerbevolking? Tot de verdediging van huis en haard was zij sinds lang niet meer in staat nu de Romeinse krijgsmacht was verworden tot een aantal beroepslegers. Enkele vijandelijke troepen drongen helemaal door tot aan Aquileia - gevaarlijk dicht bij het hart van Italië. 
Marcus Aurelius bedacht zich niet. 
Hij trok zelf te velde, al was hij lichamelijk zwak, toch vervulde hij op bewonderenswaardige wijze zijn taak als legeraanvoerder. Wat gemakkelijker kreeg hij het door de vrede met de Parthen. Toen konden de legioenen  uit het oosten naar huis worden geroepen. Zodra deze troepen op schepen naar Italië waren overgebracht, stelde de keizer zichzelf aan het hoofd en rukte op naar de indringers, die over de Alpen terug werden gedreven. 

In 169 stierf Lucius Verus op 38-jarige leeftijd door een beroerte of epileptische aanval. Na zijn dood werd hij door Aurelius geëerd en kreeg hij de titel Divus (goddelijk).

Pannonia werd heroverd. Maar twaalf van zijn negentien regeringsjaren moest Marcus Aurelius in het veldleger doorbrengen. Eerder konden de volkengolven, die voortdurend weer opkwamen, niet worden ingedamd. Om zich de middelen te verschaffen voor de langdurige oorlog moest hij zelfs de gouden en zilveren serviezen verkopen, die sinds de dagen van Augustus in de keizerpaleizen verzameld waren. Tijdens de jaren van beproeving waren het filosofische beschouwingen, die zijn ziel in evenwicht hielden. 

Omstreeks deze tijd begon de keizer met het schrijven van zijn Zelfbeschouwingen in de uren dat het strijdrumoer hem met rust liet. De opofferingsgezindheid en het vertrouwen in de Stoïcijnse keizer wekten bij de soldaten nieuwe moed. 

Tenslotte bracht Marcus Aurelius de oorlog over naar het gebied van de Marcomannen, Hun hoofdstad werd door hem veroverd. De versterkingen en kampementen die de weerspannige stammen hadden opgeworpen, werden bestormd en hun primitieve hutten van hout en stro tot de grond toe afgebrand, zoals op de zuil van Marcus Aurelius op de Piazza Colonna in Rome te zien is. Verpletterd door deze aanval werden de invallers langzaam maar zeker teruggedreven in de richting van de Donaugrens. Duizenden Marcomannen en Quaden werden gedood, als gijzelaars meegevoerd of tot slaaf gemaakt - vaak door Germanen die voor Rome vochten. Toen hun kracht was gebroken, werden de Marcomannen, de Quaden en andere verslagen stammen over de Donau getransporteerd. Toen vielen vele van zijn bondgenoten af en met kracht en mildheid greep de keizer de anderen aan. Maar het bleek moeilijk werkelijk vrede te sluiten. 

 

Ter herinnering aan de strijd tegen de Marcomannen werd in Rome een stenen zuil  van welhaast 35 meter hoogte opgericht, waarop taferelen uit de strijd, de wraak en de onderwerping van de barbaren staan afgebeeld. Deze zuil - de zuil van Marcus Aurelius - staat op de Piazza Colona. Marcus Aurelius had de noordelijke grenskwestie nog met dezelfde mentaliteit als zijn voorgangers benaderd - agressief militair optreden en pogingen tot gebiedsuitbreiding. In zekere zin was hij daarin ook geslaagd, maar het kon niet anders dan een tijdelijk succes zijn. Veldslagen leidden dan wel tot een vermindering van het bevolkingsaantal van de barbaarse gebieden door massale slachtpartijen, evacuatie en herkolonisatie, maar de wortel van het probleem bleef onopgelost: de geleidelijke bevolkingsaanwas door natuurlijke demografische factoren enerzijds en externe volksverhuizingen anderzijds. 
 

Faustina, de echtgenote van Marcus Aurelius (Faustina de Jongere), die haar echtgenoot op zijn veldtochten had vergezeld, kreeg daarvoor in 174 de eretitel Mater Castrorum (Moeder der legerkampen). Zij was hem echter niet erg trouw en heeft hem zelfs verraden aan Gaius Avidius Cassius, de gouverneur van Syrië, met wie zij, volgens sommige bronnen, een vverhouding had. Faustina lichtte Cassius in dat haar man zeer ernstig ziek was en op sterven lag, waarop Cassius probeerde de macht te grijpen. Hij begon een opstand in 175 die enkele maanden duurde. Marcus Aurelius, die zich goed van zijn ziekte herstelde, sloeg de opstand neer en liet Cassius om het leven brengen.

Het 'verraad' van Faustina kan goed verklaard worden als men aanneemt dat zij heeft ingezien dat de gevolgen voor Rome zeer ernstig zouden kunnen zijn als haar zoon Commodus aan de macht zou komen. Zij kende zijn zwakheden maar al te goed en zou daarom de veel geschiktere Cassius hebben ingelicht toen haar man op sterven leek te liggen.

Faustina stierf in het dorpje Halala in Cappadocië eind 175 maar sommige bronnen vermelden Cilicië in 176. Na haar dood eerde Marcus Aurelius haar uitvoerig met een grote serie munten met haar portret en een altaar.

Marcus Aurelius was van plan twee nieuwe provincies, Marcomannia in Bohemen en Sarmatia in de inspringende hoek tussen Pannonië en de westgrens van Dacië te stichten. Er werden uitgebreide voorbereidingen getroffen: garnizoenen werden op strategische punten gestationeerd en grote aantallen van hun bezittingen beroofde Germanen en Sarmatiërs werden op transport gesteld, deels om dienst te nemen in de hulptroepen, deels om in de noordelijke provincies kolonies te vormen. 

Voordat de pas veroverde gebieden echter deugdelijk konden worden georganiseerd, zag Marcus Aurelius zich gedwongen een opstand in Syrië te onderdrukken en tegen de tijd dat hij zijn handen weer vrij had, was de situatie andermaal verslechterd. De strijd duurde nog twee jaar, tot hij in in 180 in de castra (legioenslegerplaats) Vindobona onder het stadscentrum van Wenen overleed, mogelijk aan de pest die het rijk toen teisterde. Op zijn ziekbed sprak hij zijn laatste woorden: "Waarom huilen jullie om mij in plaats van je druk te maken over de pestepidemie, die talloze slachtoffers maakt".

Commodus (180 - 193 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 29-03-03

colofon