2941 |
Rome (44 - 43 v. Chr.) |
![]() |
![]() |
Na de moord op ![]() Door adoptie bij testament werd de achttienjarige Octavius, zoon van Gaius Octavius en Atia Balba Caesonia, de dochter van Julia Caesaris, een zuster van Voortaan wenste hij aangesproken te worden als Gaius Julius Caesar. Om hem te onderscheiden van zijn illustere (adoptie) vader kreeg hij het agnomen (bijnaam op grond van zijn verdiensten) Octavianus, een naam die hijzelf niet gebruikte. Door zijn opname in de gens (het patriciersgeslacht) Julia werd hij een patriciër, wat zijn kansen op het consulaat aanzienlijk verbeterde. Hij bleef niet bij de pakken zitten. Hij vormde op eigen initiatief een leger, waarmee hij zijn rechten liet gelden. Voortaan moest men in Rome rekening houden met Caesars jonge erfgenaam. |
Gaius Octavius Thurinus kwam op 23 september 63 v. Chr. ter wereld in Rome of in Velitrae als Zijn vader stamde uit een rijke familie in Velitrae en genoot om zijn eenvoud en rechtschapenheid groot aanzien; hij was slechts eques maar bracht door het bekleden van de praetor (61 voor Christus) zijn familie in de senatorenstand.
Octavius groeide op in de prachtige villa van consul Lucius Marcius Philippus, met wie zijn moeder Atia na de vroege dood van Gaius Octavius (59) was hertrouwd. De jonge Octavius groeide op samen met zijn zuster Octavia (minor) en zijn halfzuster Octavia (maior), een dochter uit het eerste huwelijk van Gaius Octavius met Ancharia. Van zijn moeder kreeg Octavius een zeer zorgvuldige opvoeding. Maar ook zijn grootmoeder Julia interesseerde zich sterk voor hem: op 12-jarige leeftijd hield hij voor haar de lijkrede. Het meest echter werd Octavius beïnvloed door zijn oudoom Julius Caesar, die al vroeg belangstelling voor hem toonde en de begaafde jongen onder leiding stelde van de retor Apollodorus van Pergamum. Ook in de keuze van de leermeesters in de wijsbegeerte heeft Julius Caesar waarschijnlijk de hand gehad; dit waren Arius Didymus van Alexandrië en Athenodorus van Tarsus, beiden gematigde stoïcijnen en voorstanders van de monarchie. In oktober 49 werd de jonge Octavius bekleed met de toga virilis, in 48 werd hij tot pontifex benoemd. Spoedig daarna nam Julius Caesar zijn achterneef geheel onder zijn hoede: zo hij liet hem deelnemen aan zijn triomftocht na de zege bij Thapsus (46) en aan zijn expeditie naar Spanje 45 en benoemde hem bij testament tot zijn hoofderfgenaam. |
![]() |
In de herfst van 45 v. Chr. zond Julius Caesar Octavius, die inmiddels tot magister equitum was benoemd met het oog op de voorgenomen veldtocht tegen de Parthen vooruit naar het Apollonia (Illyrië), met twee vrienden van gelijke leeftijd, Marcus Vipsanius Agrippa en Quintus Salvidienus Rufus. Octavianus en Agrippa waren oude schoolkameraden, ondanks hun verschillende afkomst. Met het aannemen van de naam Gaius Julius Caesar Octavianus gaf Octavius te kennen dat hij de erfenis en de plicht Caesars moordenaars te straffen aanvaardde. Het advies van Agrippa en Salvidienus en het aanbod der officieren en soldaten om onmiddellijk tegen de moordenaars Brutus en Cassius van Caesar op te rukken wees Octavius echter van de hand. In plaats daarvan nam hij de gelden die voor de oorlog tegen de Parthen waren bestemd in beslag en vertrok naar Italië. Op 18 april 44 kwam hij in Napels aan. Na een verblijf op het landgoed van zijn stiefvader in Puteoli, liet hij zich op 9 mei in Rome door de volkstribuun Lucius Antonius, een broer van |
![]() |
Al gauw kwam hij in botsing met Om de legaten van Caesars testament aan veteranen en volk uit te kunnen betalen, verkocht Octavianus een groot deel van zijn eigen bezittingen en verder met hulp van familie en vrienden wist hij aan al zijn verplichtingen te voldoen. Dit feit en de schaamteloze wijze waarop Antonius vervalsingen in Caesars testament aanbracht om zichzelf en zijn vrienden te bevoordelen, deed de publieke opinie weldra ten gunste van Octavianus omslaan. Antonius wekte door zijn brute houding tegenover Octavianus, wiens leven hij zelfs bedreigde, ontevredenheid zelfs onder zijn eigen aanhangers, die niet wilden dat men raakte aan Caesars zoon. Zo kon Octavianus in Campanië een lijfwacht van 10.000 grotendeels ervaren manschappen aanwerven; bovendien maakte hij met succes propaganda onder de vier legioenen die Antonius uit Macedonië ontbood. |
Toen Door het sneuvelen van beide consuls (april 43) kreeg Octavianus de beschikking over het gehele senaatsleger, hij weigerde echter ieder contact met eén van Caesars moordenaars Decimus Brutus. Deze werd uiteindelijk door Galliërs gedood bij een poging naar Macedonië te ontkomen en zich daar bij Marcus Brutus te voegen. Toen de senaat hem het gevraagde consulaat weigerde, rukte Octavianus met zijn leger op naar Rome, dwong de verkiezing van hemzelf en zijn neef Quintus Pedius tot consul af (19 augustus 43) en liet de moordenaars van Caesar vogelvrij verklaren. |
laatst bijgewerkt: 30-09-08 |