2897

Romeinse Rijk (270 - 285)

  Claudius-Gothicus, Quintillianus (268-270 n. Chr.)

Aurelianus (270 - 275)

Quintillianus (270) werd opgevolgd door zijn bekwame generaal Aurelianus, de zoon van een arme boer. De nieuwe keizer was een bekwaam generaal, die aanzienlijk tot de overwinning op de Goten in de slag bij Naissus (269) had bijgedragen. Omstreeks 270 vielen de Alamannen opnieuw het Italiaanse schiereiland binnen. Hij moest Dacië opgeven maar joeg de Vandalen en Alamannen over de Rijn en de Donau. 

Aan het eind van de derde eeuw consolideerde de toestand. Romeinse tegenoffensieven bleven zonder resultaat en de linie van de Boven-Rijn werd als nieuwe grens van het rijk versterkt. 

In 272 trok hij ten velde tegen koningin Zenobia van Palmyra. Na een korte belegering werd zij gedwongen zich over te geven. Toen de bewoners in 273 een poging tot oproer ondernamen, liet hij de stad met de grond gelijk maken. In hetzelfde jaar joeg Aurelianus de plunderende Perzische troepen uit de oostelijke provincies. 

De voortdurende moeilijkheden met de Germanen deden Aurlianus besluiten het met vreedzame middelen te proberen. Hij kwam de Goten tegemoet in hun behoefte aan nieuw vruchtbaar land voor hun snel groeiende bevolking en stond hun in 275 toe, zich in de provincie Dacië te vestigen. Hoe veranderd de tijden waren, bewijst het feit dat hij Rome met een muur liet omgeven. 

Aurelianus wijdde zich energiek aan de taak, eendracht en orde in het rijk te herstellen. Krachtig verdedigde hij de grenzen van zijn rijk. Rond de stad Rome werd een nieuwe muur gebouwd ter bescherming tegen barbaarse invallen. In Gallië dwong hij een tegenkeizer tot aftreden en bracht hij de westelijke provincies weer onder het gezag van Rome. 
Het viel de Romeinen zeker niet gemakkelijk, de door Trajanus verworven gebieden op te offeren en de sterke bolwerken in de bergen van Zevenbergen te ontruimen. Maar nood brak wet. 

Aurelianus was een krachtig figuur, die de algemene bewondering van zijn onderdanen genoot. Toch waren er onder zijn officieren, die zich met zijn onbarmhartig strenge discipline niet konden verenigen. Eens had de keizer zijn secretaris Eros betrapt op een onnauwkeurigheid en hem toen bedreigd had met een strenge straf. Zijn meester kennende, vreesde Eros het ergste. De hand van de keizer nabootsend, stelde hij een lijst op van namen van verschillende hoge officieren en zijn eigen naam. Hij liet de lijst aan de betrokkenen zien en vertelde hen dat het een bevel van terechtstelling was, die door hem was onderschept. Zij besloten de keizer voor te zijn en hem bij de eerste gelegenheid uit de weg te ruimen. Dit gebeurde in Byzantium in het jaar 275. 

Tacitus (275-276) 

Na Aurelianus werd Tacitus (275-276) aangesteld als keizer. Hij was al een oud man, van rond de 75 jaar. Hij was een wijsgeer en een gerespecteerd senator en consul. Hij liet de samenzweerders arresteren en veroordelen tot de doodstraf. 

Na hem volgde een tijd van elkaar bestrijdende keizers. In die periode verlieten de laatste Romeinse legioenen de Rijndelta hals over kop en staken daarbij de castella langs de Rijn in brand (z. Lage Landen (270-300)

Marcus Annius Florianus (276)

Marcus Annius Florianus, prefect van de lijfwacht en halfbroer van Tacitus wierp zich na diens dood in april 276 in Klein-Azië op tot keizer en werd in vrijwel het gehele rijk erkend. Toen echter het Syrische leger zijn bevelhebber Marcus Aurelius Probus tot keizer uitriep en Florianus tegen deze te velde trok, werd hij in juli 276 bij Tarsus door zijn bevelhebbers omgebracht.

Marcus Aurelius Probus (276-282) 

Na de dood van Tacitus (276)  werd door de troepen in Syrië en Egypte Marcus Aurelius Probus  uitgeroepen tot keizer. Nadat de tegenkeizer Florianus was vermoord (276), werd hij door de Senaat erkend. Hij streed voorspoedig tegen de Alamannen, Salische Franken, Bourgondiërs en de Vandalen aan de Donau en herstelde in 277 in Gallië de Rijngrens. Zelfs in vredestijd liet hij de soldaten werken; zij moesten bijvoorbeeld moerassen droogleggen en wijngaarden aanleggen. Ontevreden hierover en over de streng door Probus gehandhaafde discipline, doodden zij hem in 282, juist toen hij tegen de Parthen wilde optrekken.

Marcus Aurelius Carus (282-283) 

Marcus Aurelius Carus was waarschijnlijk afkomstig uit Narbo (Narbonne) in Gallië en had carrière gemaakt in het leger. In 276 werd hij praefectus praetorio van keizer Probus. Nog vóór diens dood in 282 riepen de legers van Raetia en Noricum hem uit tot tegenkeizer. Hij stelde zijn zoons Carinus en Numerianus eerst (in 282) als onder- en in 283 als medekeizers aan en stierf (door de bliksem getroffen?) op een voorspoedige veldtocht tegen de Parthen in Mesopotamië.

Macus Aurelius Carinus (283-285) en  Marcus Aurelius Numerianus (283-284) 

Macus Aurelius Carinus en zijn jongere broer  Marcus Aurelius Numerianus  waren de laatste "soldatenkeizers". Carinus versloeg in 283 een pretendent in Italië, de praefectus praetorio Julianus, bij Verona. Numerianus nam deel aan de veldtocht naar Perzië. Hij voerde het leger uit het oosten terug, maar bij aankomst in Nicomedia (284) bleek dat Numerianus door zijn schoonvader, de praefectus praetorio Aper, in zijn gesloten draagstoel was vermoord. 

Het leger wees nu de commandant van de Pretoriaanse Garde, Diocles (de latere Diocletianus) als wreker en opvolger aan. Carinus overwon hem in 284 aan de Margus (thans Morava), maar werd daarna door  zijn leger verraden en gedood. Vervolgens werd Diocletianus door het leger bij Nicomedia (in Klein-Azië) in 285 tot Augustus uitgeroepen. 

Numerianus

Diocletianus (285-305), Maximianus (285-286), Constantius l Chlorus (293-305), Galerius (296-305)

laatst bijgewerkt: 29-08-02

colofon