3545

Romeinse forten (castella)

Germania Inferior; Germania Superior; Een rivier als grens 
Tijdens de regering van keizer Augustus werd aan de zuidelijke Rijnoever een aantal forten gebouwd als uitvalsbases voor veroveringstochten in het centrum van Germanië. 
De van hout, aarde en leem gebouwde kleinere forten, waar ten hoogste één cohort (600 soldaten) kon worden gelegerd, werden castella genoemd. 

Langs de Nederrijn, Kromme Rijn en Oude Rijn lagen 18 tot 19 castella. Hun namen komen voor  op de Tabula Peutingeriana en het Itinerarium Antonini, twee "reisgidsen" uit de tijd van de Romeinen. Van 12 castella is de ligging bekend. 

In 47 n. Chr. werd door de Romeinse legeraanvoerder Corbulo het castellum Trajectum gesticht, ter bescherming van de veroverde gebieden tegen invallen van de barbaarse Bataven. Corbulo begon zich (eerst met tegenzin) na dit bevel te richten op zijn taak en begon forten en hun garnizoenen te organiseren. Door het bevel van keizer Claudius werd Corbulo de stichter van Trecht. Trecht doet hier mee haar intrede als een reeks van vestigingen langs de rijksgrens van het Romeinse rijk.
Van west naar oost waren dat:: Lugdunum Batavorum * Flevum (Velsen), Fectio (Vechten), Lugdunum * (Katwijk), Praetorium Agrippinae, Valkenburg, (gesticht in ± 39 n. Chr.), Matilo (Roomburg bij Leiden), Albaniana (Alphen aan de Rijn), Nigrum Pallium (Zwammerdam), Bodegraven *, Amerongen, Laurum (Woerden), De Meern, Trajectum (Utrecht), Rossum, Ceuclum (Cuijk), Fectio (Vechten), Levefanum (Rijswijk), Mannaricium (Maurik), de militaire vicus Carvo * (Kesteren), Randwijk *, Driel *, Meinerswijk, Loowaard * en Carvium (Bijlandse Waard) en de Brittenburg, voor de kust bij Katwijk.
(het * geeft aan dat de locatie nog niet bekend is. 

In dit door water geplaagde land waren er twee manieren om goed over land te reizen. Langs de kuststreek lagen een aantal hoge en droge oude stranden en duinen: de resten van oude zeekusten van duizenden jaren eerder. Hierover kon men van noord naar zuid reizen. Als rivieren overstromen bezinkt het zwaarste zand direct langs de oever waardoor een rivieroever ontstaat die hoger ligt dan het achterliggende land en dus goed begaanbaar is. Over de Rijnoever kon men zo van west naar oost reizen. Nadeel was wel dat men steeds zijgeulen moest oversteken. Op deze duinen en rivieroevers werden dus bij voorkeur de wegen aangelegd die voor de grensverdediging belangrijk waren.

In forten als in Praetorium Agrippinae (Valkenburg) waren hulptroepen gelegerd, zo'n 400 man. Dit waren geen echte Romeinen maar werden gerekruteerd uit de overwonnen volken. Zo lag in Valkenburg een ruiterafdeling uit Gallië (Frankrijk) en later uit Thracië (Bulgarije/Griekenland/Turkije). Het fort Cuijk, toen waarschijnlijk Ceuclum geheten, werd in het begin van de vierde eeuw gebouwd, nadat keizer Constantijn de Grote - van 313-324 Augustus van het Westen en van 324-337 Augustus van het gehele Romeinse Rijk - het Romeinse gezag aan de Beneden-Rijn had hersteld en een einde had gemaakt aan de Germaanse invallen
Het legeronderdeel in de forten was niet groot en moest bij gevaar snel versterking krijgen van de grote Romeinse legioenen die in een castrum waren gelegerd, bijvoorbeeld in Nijmegen. Daarvoor waren betrouwbare en bekende wegen nodig. 
Samen met het fort werd daarom over de Rijnoever een weg aangelegd met een voor die streek ongekende constructie: langs de hele weg ingeheide eiken palen met daartussen een verharding van takken en struiken en later zelfs kiezels en schelpen.

Een jaar na de bouw van het fort bezocht de krankzinnige keizer misschien zelf de Rijnmond, waarvan het beroemde verhaal bestaat dat hij zijn soldaten op het strand opstelde met geschut en belegeringswerken. Daarna gaf hij tot ieders verbazing opdracht om schelpen te verzamelen als oorlogsbuit op de oceaan. Als gedenkteken voor deze overwinning op de oceaan zou hij een hoge vuurtoren hebben laten bouwen.

laatst gewijzigd: 26-03-05

Colofon