3232 |
Castellum Praetorium Agrippinae (Valkenburg) |
![]() |
Het castellum Praetorium Agrippinae bij Valkenburg (Zuid-Holland) zou dan wel eens tijdens Caligula's verblijf in Neder-Germanië gesticht kunnen zijn en met de naam Agrippinae zou de keizer zijn moeder geëerd kunnen hebben. De sporen van het oudste kamp lagen diep onder het grondwater en zijn daardoor goed geconserveerd. Ondanks de korte verblijfduur had de eerste legereenheid een goed onderkomen. Geen tentenkamp zoals die bekend zijn uit opgravingen in Velsen, maar een fort met houten barakken waarvan de vijftien centimeter dikke wanden tijdens de opgraving nog gedeeltelijk overeind stonden. Het zijn de best bewaard gebleven houten soldatenbarakken uit de Romeinse tijd in Europa. Ze stonden model voor een maquette in een museum in het Zwitserse Zurzach. | ![]() |
![]() |
De barakken, gebouwd van rechthoekige palen met ertussen verticaal vlechtwerk, afgestreken met leem, stonden in groepjes van twee bij elkaar. Dankzij een systeem van gaten en pennen waarmee het houtwerk in elkaar werd geschoven, hoefde er nauwelijks met spijkers te worden gewerkt. Op de wanden steunde een zadeldak, dat veelal met hout was bedekt. Tussen elk barakkenpaar lag een straat die, gezien de resten van drempels, aan beide kanten kon worden afgesloten. Zo werd een langwerpige binnenplaats gevormd met aan elk van de twee lange zijden een barak met zuilengalerij. Onder het afdak van de zuilengalerij bevonden zich de zes of zeven deuren van de soldatenvertrekken. De deuren waren niet als tegenwoordig opgehangen aan scharnieren, maar draaiden eenvoudig met een pen in een gat in de drempel en bovendorpel. Wie een willekeurige deur binnenstapte, kwam in een kleine wapenkamer. Namen in opgegraven wapens geven aan dat ze persoonlijk bezit waren, maar wel werden overgedragen. Tot de uitrustingen behoorden ook leren tenten waarvan grote stukken zijn opgegraven, inclusief tentharingen van lijsterbeshout. In een van de voorkamers werd een foudraal voor een schild aangetroffen. Een volgende deur kwam uit op het eigenlijke slaapvertrek, Daar lag tegen de scheidingswand, onder de nok van het dak, een haardplaats van ongeveer 1 bij 1 meter gemaakt uit klei met een eikenhouten rand. |
Omdat vlammen in houten barakken brandgevaar opleverden, werd geen hout gestookt, maar waarschijnlijk rundermest. Resten van mestkevers duiden daarop. Gloeiend houtskool was ook een mogelijkheid. De haard diende zowel voor verwarming als voor het bereiden van voedsel. In het slaapvertrek van ruim 3 bij 4 meter en ± 2,8 meter hoog sliepen zes mannen, waarschijnlijk in stapelbedden. Boven de bedden op ca. 2 meter hoogte moet aan de achterkant van de dakrand een raam hebben gezeten met daarin blauwgroen vensterglas. Aan de kop van elke barak lag het onderkomen van één van de twee onderofficieren, die over meer oppervlakte beschikte. De hoogste officier van de centuria had een nog grotere ruimte die aan het andere uiteinde van een van de barakken. Evenveel als vloeroppervlak als 30 tot 40 soldaten. Met dertien slaapeenheden bood elk barakkenpaar plaats aan 78 soldaten. Tezamen met de officieren is dat 80 man voor een centuria, dat onder leiding stond van een centurion. |
Letterlijk betekent dit honderd man en herinnert aan vroegere tijden toen dergelijke legereenheden honderd man sterk waren. Elk barakkenpaar had ruimte voor de verwerking van graan, een vertrek dat wellicht in verband van het brandgevaar los stond. Op een vuurkuil in het midden van de ruimte werd het graan waarschijnlijk eerst geroosterd. Vervolgens werd het vermalen op een grote stenen graanmolen. Elke centuria produceerde zo zijn eigen meel. Blijkens de gereedschappen werd de werkplaats ook gebruikt voor metaalbewerking, waarbij valt te denken aan reparatie van wapens. In Valkenburg was ook een apart barakkenpaar voor ruiters met aan de ene kant paardenstallen en aan de andere kant slaapplaatsen.
laatst bijgewerkt: 21-07-02 |