3174

Castellum Flevum

Lage Landen (1 - 47 n. Chr.); Romeinse forten (castella) en de Lage landen
Aan het Oer-IJ, een voortzetting van de Vecht die bij Castricum in de Noordzee uitmondde, bouwden de Romeinen ca. 15 n. Chr. op de plaats van de huidige Wijkertunnel een vlootbasis. Het fort, castellum Flevum, bood ruimte aan een heel cohort, oftewel zo'n 500 manschappen. 

Rechts: tekening van de Romeinse vlootbasis bij Velsen, Marco Prins, Jona Lendering. Bron:  www.livius.org

Op de oeverwallen langs het Oer-IJ hadden zich toen al waarschijnlijk mensen gevestigd. Opgravingen tijdens de aanleg van de Amsterdamse metro in de jaren zeventig lijken dat te bevestigen. Zo zijn er verscheidene munten gevonden en ook een mantelspeld, die dateert uit de tijd dat de Romeinen in Velsen neerstreken. 
Met de Romeinen stonden deze
Friezen op goede voet met de Romeinse bezettingsmacht. In 12 v. Chr. hadden zij zelfs de vloot van de Romeinse generaal Drusus gered toen die op de Waddenzee in moeilijkheden verkeerde. De Friezen leverden de Romeinse vlootbasis jaarlijks een aantal runderhuiden bij wijze van belasting, maar waarschijnlijk hebben zij goed verdiend aan de handel met de Romeinen. De ruim 400 soldaten aten zo'n 150 ton graan, terwijl ze ook runderen en andere producten afnamen.

Stadhouder Drusus had de arme Friezen weliswaar belastingplicht opgelegd, maar deze was volgens de Romeinen "in overeenstemming met hun smalle middelen". Ze moesten de Romeinen runderhuiden leveren die werden gebruikt voor het maken van tenten en kleding. Omdat de Friese koe toen al rijkelijk de weilanden bewoonde, konden de Friezen best een paar huiden missen. Jarenlang ging dit goed. 

Die situatie veranderde echter dramatisch toen keizer Tiberius in 28 na Chr. een nieuwe bevelhebber naar Friesland stuurde. De nieuwe man, Olennius genaamd, was duidelijk een groentje. Van besturen had hij nog geen kaas gegeten. Eenmaal in Friesland ging hij dan ook voortvarend te werk. De huiden die de Friezen leverden, deugden van de ene dag op de andere niet meer. Ze waren te klein en Olennius eiste grotere en van wilde runderen. De nieuwe belasting was voor de Friezen nauwelijks meer op te brengen. temeer daar zij slechts bescheiden kuddes hadden. 

Tacitus schreef: "Eerst droegen ze (de Friezen) de koeien zelf af, vervolgens hun akkers en ten slotte stelden ze zelfs hun vrouwen en kinderen voor slavendiensten beschikbaar". De honger en armoede groeide zienderogen en leidde tot verontwaardiging en klachten en, aangezien er geen lastenverlichting werd geboden, besloten de Friezen de zaak met geweld op te lossen. 

Toen voor de zoveelste keer de Romeinse belastingambtenaar langskwam, was de maat vol. Woede en protest kwamen los. In een spontane uitbarsting van volkswoede werden de Romeinse deurwaarders opgepakt en aan de dichtstbijzijnde boom opgeknoopt (volgens een ander bron werden ze gekruisigd). De woedende massa trok naar het Romeinse legerkamp waar Olennius verbleef en eiste luidkeels het hoofd van de Romeinse bevelhebber. Deze keer was hij wat sneller van begrip en spoedde zich met zijn manschappen naar Castellum Flevum, dat daarna door de Friezen bestormd werd. 
De Romeinse soldaten waren net op tijd binnen om de poort naar omlaag te laten. De Friezen verzamelden zich vervolgens buiten het fort, terwijl ze "een afschrikwekkend, met tussenpozen uitgestoten gebrul lieten horen.

Uit vondsten van Romeinse slingerkogels - niet minder dan 520 zijn in het gebied aangetroffen - is af te leiden hoe de Friezen in 28 het fort moeten zijn genaderd. Zij vielen het fort van twee kanten aan: vanuit het zuiden en vanuit het noorden. De zuidelijke aanval wisten de verdedigers af te slaan, maar aan de noordkant drongen de aanvallers het kamp binnen. Vervolgens trachtten twee ‘verse’ groepen Friezen het fort binnen te komen: een vanuit het noordoosten, een andere over de rivier. Beide werden afgeslagen. Met touwen en ladders probeerden de Friezen de houten muren te beklimmen. De Romeinen gooiden enorme rotsblokken op de entenaars. Boogschutters en kogelslingeraars lieten hun salvo's neerdalen op de doortastende Friezen. Ook aan Friese zijde vochten kogelslingeraars mee. De Friese kogels waren een soort eieren, maar dan van klei. Een goed geoefende slingeraar kon op een afstand van 125 meter nog doel treffen. Een enorme toren werd door de friezen tegen de muren aangeduwd. In de grachten waren rondspartelende Friezen en Romeinen verwikkeld in een genadeloos gevecht man tegen man. Overal dreven lijken rond van gesneuvelde manschappen. Overal vloeide bloed en overal klonk het gejammer der stervenden.Tenslotte werden ook de Friezen die wel het fort binnengedrongen waren, het water in gedreven. Het moet een dubbeltje op zijn kant geweest. De Romeinen raakten eerst door hun munitie heen, en vervolgens zelfs door hun loodvoorraad. Een deel van de kogels lijkt ter plekke - tijdens de veldslag - gegoten te zijn. Ze waren een stuk lichter en slordiger gevormd.

De doodsbange Romeinen probeerden het fort te houden. Zij slingerden alles wat voorhanden was op de woedende Friese mensenmassa. Al gauw raakte de voorraad loden slingerkogels op. In allerijl werden werden allerlei gebruiksvoorwerpen omgesmolten tot nieuwe kogels. De soldaten staken nu hun vingers in de grond en goten het kokende lood in de ontstane holtes. Deze kogels, die de macabere vorm van een vingertopje hebben, zijn later teruggevonden. Met veel moeite sloegen de Romeinen de Friese aanval af. Vervolgens besloten de Friezen om de verdedigingswerken te omzeilen en voeren met boten de haven in. 

De Friezen besloten na een dag van hevige gevechten de bestorming te stoppen. Ondertussen had Lucius Apronius, commandant van Beneden Germanië, versterkingen richting Velsen gestuurd. Haastig opgeroepen cavalerie- en infanterie-eenheden werden op boten geladen en de Rijn afgevoerd. Het Romeinse Rijk moest zo snel mogelijk deze brutale opstand in de kiem smoren. De Friezen zouden andere volkeren wel eens op gevaarlijke ideeën kunnen brengen!

Toen de Friezen hoorden dat er versterkingen aankwamen die hen in de rug dreigden aan te vallen, trokken zij zich al vechtend terug. Zij werden achtervolgd door de Romeinen, versterkt met de verse troepen. Ze moesten bruggen maken om hun zware bewapening over de kreken van het estuarium te krijgen. De Friezen waren in het voordeel. Ze waren lichtbewapend (schilden en speren) en kenden de drassige gebieden op hun duimpje. Ze lokten de Romeinen steeds dieper het estuarium in. Een grote veldslag vond - volgens Tacitus- plaats in het ‘woud van Baduhenna’. Welk bos dit was, is onduidelijk. Het kan in Heiloo zijn geweest, maar ook in Bakkum. Gezien de verklaring van de naam Heiloo, namelijk 'heilig bos', wordt Baduhenna wel met Heiloo geïdentificeerd. Zeker is dit echter niet, maar de slag in het Baduhennawoud moet waarschijnlijk wel ten  noorden van Velsen plaats hebben gehad. Baduhenna wordt algemeen als Friese oorlogsgodin beschouwd en haar naam zou dan zoiets als 'de gedrevene in (of door) de strijd' betekenen (samenhangend met Germaans *badwa, 'strijd'). Zeker is dit echter niet. 

Negenhonderd Romeinen vonden de dood door Friese wapen en vierhonderd doodden elkaar ‘omdat ze verraad vreesden’, schrijft Tacitus. Hiermee was de Friese overwinning een feit. Hoe het met de centurion Olennius zelf is afgelopen, vermeldt de geschiedschrijver niet. Tenzij Olennius de Romeinse militair is die in een waterput in het fort gevonden is. Maar dit slachtoffer was met zijn ongeveer 25 jaar waarschijnlijk te jong voor de hoge positie van bestuurder over de Friezen.

Waren de Friezen aan het Oer-IJ nu van die kranige krijgers? Niet in die zin dat ze voortdurend op oorlogspad zouden zijn. Het grootste deel van de tijd waren ze gewoon aan het boeren: hun vee aan het hoeden, hun velden aan het bewerken. Maar krijgshaftig waren ze wel degelijk, want ze wisten uitstekend van zich af te bijten als het eropaan kwam. Toen ze zich in het nauw gedreven voelden door de onredelijke eisen van de Romeinse belastinginners, brachten ze een leger op de been dat een bloedbad onder de Romeinen van Castellum Flevum aanrichtte. Het is ondenkbaar dat ze daarin geslaagd zouden zijn als ze voorheen al hun conflicten ongewapend en in goed overleg oplosten.
De slag bij Castellum Flevum laat overigens een patroon zien dat bij Germaanse stammen gangbaar was: een troepenmacht kwam alleen bij bijzondere gelegenheden tot stand. De rest van de tijd werd er kleinschalig gebakkeleid, tussen families of individuen. Daarbij ging het er ongeremd aan toe. Een beetje als caféruzies tussen dronkenmannen, met botbreuken, steek- en snijwonden als resultaat. En aangezien er bij de Friezen, zoals bij alle Germanen, veel vetes tussen families voorkwamen, leidde de ene ruzie doorgaans tot de andere, en die tot een derde...

De overlevende Romeinen vluchtten in paniek weg uit de omgeving van Velsen. Hoewel ze in de slag tientallen hoge officieren, zoals tribunen, praefecten en centurio's hadden verloren, besloot Lucius Apronius om geen wraak te nemen op de Friezen. Het onoverwinnelijke Germaanse volkje had de Romeinen zo'n schrik aangejaagd dat pas dertien jaar later, onder keizer Claudius, een groepje Romeinen zich weer in dit gebied waagde.

Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (56-117) werd de vlootbasis na deze opstand geëvacueerd. Om er zeker van te zijn dat het ontruimde fort niet door de Friezen zou worden overnemen, hebben de Romeinen het grondwater vergiftigd, door lijken (waaronder een half paardenkadaver) in de waterputten te gooien. Daarvan zijn verschillende resten in Velsen opgegraven. Ook zijn in één van de putten overblijfselen gevonden van herstelwerkzaamheden die daar rond 37 moeten zijn verricht. Deze datering kon worden afgeleid uit de jaarringen van een stuk hout dat bij de reparatie werd gebruikt.

Daarna eindigt de geschiedschrijving in Tacitus' Annalen abrupt en gaan pas tien jaar later weer verder. Uit die periode horen we verder alleen dat de beruchte keizer Caligula in de tweede helft van 39 een bezoek aan bracht de noordelijke Rijngrens om met zijn legioenen een schertsaanval op Germanië uit te voeren: een in scène gezette aanval over de Rijn die door de keizer triomfantelijk werden afgeslagen, waarna hij zijn manschappen  liet inschepen om een paar rondjes dicht onder de kust te varen en alles erop leek dat de keizer Brittannië wilde veroveren. 

Rond 40 werd een tweede fort gebouwd op de plaats van de huidge Wijkertunnel. Vondsten van dit tweede fort zijn opgeslagen in Wormer. Er zijn munten gevonden uit de tijd van de keizers Caligula en Claudius. De forten blijken veel dichter bij elkaar te hebben gelegen dan eerst werd gedacht, slechts enkele honderden meters. 

Voorheen werd aangenomen dat de Romeinen zich in die tussenperiode nauwelijks meer in deze contreien hebben laten zien, maar er zijn aanwijzingen dat ze nooit zijn weggeweest en dat de Romeinen de forten in Velsen permanent bewoond hebben. Dat betekent dat in die periode zich dagelijks Romeinse schepen langs het later Amsterdam zijn gevaren. Het Oer-IJ, een zijtak van de Oude Rijn die toen bij Castricum in zee uitmondde was voor de Romeinen een belangrijke waterwegverbinding naar de Waddenzee en het noorden van Duitsland. 

Bij het tweede fort zijn dezelfde slingerkogels gevonden als bij het eerste, wat zou kunnen betekenen dat de Romeinen nooit uit Velsen zijn weggegaan. Sterke bewijzen zijn dit niet maar een uitgebreid onderzoek naar de Romeinse aanwezigheid rond Amsterdam is nooit gedaan. 

In 48 na Christus gaven de Romeinen hun aspiraties benoorden de Oude Rijn op en werd fort Flevum bij Velsen verlaten en ontstond Germania Inferior ten zuiden van de Oude Rijn. Vanaf dat moment zijn in de vele honderden Friese vindplaatsen in Noord-Holland dan ook nauwelijks meer Romeinse sporen terug te vinden, heel weinig aardewerk, geen sporen in huizenbouw, religie, veestapel, enz. 

Bronnen: 

  • Een ontdekkingstocht naar het onbekende verleden van Noord-Holland - Handel en strijd
  • De Rand van het Rijk - De Romeinen en de lage landen / A. Bosman, J. Lendering. - Atheneum-Polak & Van Gennep

laatst bijgewerkt: 05-09-10

Colofon