3171 |
De Lage Landen (1 - 47 na Chr.) |
![]() |
|
Tweeduizend jaar geleden had heel Nederland een vrijwel gesloten kust. Er was nog geen Waddenzee.
Waterland maakte deel uit van een enorm nauwelijks toegankelijk veengebied dat doorliep tot voorbij Marken dat toen nog geen eiland was.. Het lag hoog boven de zeespiegel en bestond uit een lichtglooiend landschap tussen enorme min of meer ronde kussens van levend veen. Het hoogteverschil kon zo'n vier meter zijn. Een lange veenrug liep aan de westkant van Waterland naar het noorden. Wat kleinere veenkussen lagen aan de oostkant. In de lagere gebieden groeiden riet en moerasbossen met veel elzen. Hogerop groeide alleen veenmos. Tussen de veenkussens in en eromheen liepen talloze riviertjes. Van één van deze waterlopen is de naam nog bewaard gebleven: de Ilp. Bij Broek op Waterland was de bodem wat lager. Dit stuk van enkele kilometers breed liep door tot ver voorbij Katwoude. Er groeide een enorm moerasbos, een "broek". Later moet Broek op Waterland naar dat bos genoemd zijn, net als Zuiderwoude dat even ten zuiden ervan kwam te liggen. |
Naarmate de zeespiegel rees begonnen de problemen in het noorden. De waddenkust werd steeds zwakker. De Romeinse schrijver Plinius beschreef hoe de Frisii en de Frisaevones, tot op het bot verkleumd, op hun terpen woorden en bij afnemend tijd de vluchtende vissen achterna joegen.
Regelmatig overstroomde de zee het land, waardoor de helft van het deltagebied bestond uit moeras, dat nauwelijks bewoonbaar was. In de eerste twee eeuwen na het begin van de jaartelling waren grote delen van het deltagebied van de Rijn en de Maas nog bedekt met bos. Op de plaats van het huidige IJsselmeer lag toen het veel kleinere Flevomeer, waarin een aantal grote eilanden lagen. De Waddenzee bestond nog niet. (die ontstond pas aan het eind van de 3e eeuw n. Chr. z. Lage Landen (270 - 300 n. Chr.) De meeste waddeneilanden waren verbonden met het vasteland. Alleen Vlieland was een groot eiland. |
![]() |
Doorsnede Hollandse kust omstreeks 2000 jaar geleden (zeeniveau 0.5 m beneden NAP) |
Langs de kust tussen de Rijn en de Maas woonde de stam van de Cananefaten. (Vroeger Caninefaten genoemd, naar een Romeinse schrijver. De naam Cananefaten is aangetroffen op een mijlpaal en een legerdiploma). De elites van de Cananefaten werden echte Romeinen. Ze namen dienst in het leger en vormde aparte legereenheden, zoals de Cananefaatse ruiters die in 28 meevochten tegen de Friezen. Ze woonden in steden of bouwden een stenen huis met fraai geschilderde muren. De gewone Cananefaat leefde echter nog steeds zoals vroeger in zijn boerderij van houten palen, rieten muren die dichtgesmeerd waren met klei en een rieten dak. |
Het gebied tussen IJssel en Lippe (Salland en West-Overijssel) werd bewoond door de Saliërs en Chamaven.
Vooral op de vruchtbare löss van Zuid-Limburg ontstonden verschillende Romeinse landgoederen: de "villa's". Naast de villa's ontstonden hier ook een aantal nederzettingen, voornamelijk op kruisingen van wegen en bij oversteekplaatsen van rivieren. |
![]() |
Tijdens de regering van keizer Drusus, de stadhouder van Gallië, ondernam in 9 n. Chr. een veldtocht in Germanië, waarbij hij doordrong tot de Elbe. Op de terugtocht stierf hij echter ten gevolge van een beenbreuk door een val van zijn paard. De Drususdam, die hij ca. 10 v. Chr. had laten aanleggen ter regeling van de watertoevoer bij de splitsing van Waal en Nederrijn, werd in 55 voltooid, maar in 70 verwoest tijdens de opstand van de Bataven. |
In de eerste helft van de 1e eeuw hadden de Romeinen troepen gelegerd in het gehele gebied tussen Rijn en Elbe (de zgn. Elbe politiek). Het gebied dat de Romeinen in Germanië hadden veroverd, wilden zij zo snel mogelijk tot een nieuwe Romeinse provincie maken. Dat riep natuurlijk groot verzet op, want de Germaanse stammen moesten gehoorzamen aan Romeinse wetten en die waren bijzonder streng. Op veel overtredingen stond de doodstraf. De provincies werden door Rome bovendien beschouwd als oorlogsbuit. Ze dienden om het "echte" Romeinse volk te voeden en te kleden. De overwonnen volkeren moesten sterven of slaaf worden. Al hun bezittingen werden eigendom van de overwinnaars. De stadhouders die de provincies bestuurden deden zich kennen als uitzuigers van de bevolking. Het was er hun alleen maar om te doen zo snel mogelijk rijk te worden. Dat gold ook voor de mannen die de belastingen moesten innen. Wie zijn belastingen niet kon betalen werd gewoon van zijn land gezet. Natuurlijk wekte dat bij de bevolking de woede op. In 9 na Christus leden de Romeinen een zware nederlaag tegen de Germaanse stammen in de slag in het Teutoburgerwoud
Bij een doorwaadbare plaats in de (Kromme) Rijn werd het castellum Trajectum (= oversteekplaats) gebouwd: een vierkant fort ter grootte van een dubbel voetbalveld: het begin van de latere stad Utrecht. In de volkstaal werd dat al gauw Trecht, wat vanaf 870 weer verhaspeld werd tot Uut-trecht (Boventrecht), ter onderscheiding van Beneden-Trecht (Maastricht), de doorwaadbare plaats aan de Maas. ( |
In het jaar 39 werd door keizer ![]() |
In de tweede helft van het jaar 39 trok ![]() laatst bijgewerkt: 05-09-10 |
![]() |