2946

Caligula (37- 41 n. Chr.)

 Tiberius 914 - 37 n. Chr.)

Tiberius werd in 37 n. Chr. opgevolgd door Gaius Julius Caesar Augustus Germanicus, beter bekend als Caligula (37 - 41 n. Chr.)

Caligula werd geboren op 31 augustus 12 na Christus in Antium als zoon van de populaire Romeinse generaal Germanicus en Agrippina (maior). Al op zeer jeugdige leeftijd verbleef hij met zijn moeder, die haar echtgenoot overal vergezelde, tussen de soldaten aan de Rijn; deze gaven hem vanwege zijn soldatenlaarsjes de bijnaam Caligula.

 

Vanaf zijn jeugd was Caligula geestelijk labiel; als jongen leed hij aan epilepsie en zijn hele leven door werd hij gekweld door slapeloosheid, die hem soms urenlang door het paleis deed ronddolen. Als kind van vijf jaar vergezelde Caligula zijn ouders naar het Oosten. Na de dood van zijn vader aldaar (19) werd hij in Rome opgevoed door zijn moeder en vanaf 29, toen Agrippina verbannen werd, door Livia en zijn grootmoeder Antonia (minor). Waarschijnlijk was hij in hoge mate schizofreen. Hierop wijst zijn motorische onrust en zijn neiging tot uitersten: zijn persoonlijkheid wordt enerzijds gekenmerkt door weekheid, behoefte aan liefde en een mateloos zelfvertrouwen, anderzijds door zijn optreden als een god. In de loop der jaren distantieerde hij zich steeds meer van iedereen en voelde zich ook een god. Hij eiste dus goddelijke verering en ging tegen het mensdom te keer met een niets ontziende meedogenloosheid. 

In 31 riep Tiberius hem naar Capri. Reeds vroeg bleek Caligula's wilde en tevens ijskoude aard in avonturen met beide seksen, maar ondanks zijn knapheid in het huichelen doorzag Tiberius hem en zei dat hij Caligula in leven had gelaten tot verderf van hemzelf en van iedereen: dat hij in Caligula voor het Romeinse volk een slang grootbracht en voor de wereld een Phaëthon, die haar eens zou verteren.

Abnormaal fel was het seksuele leven van Caligula. Reeds als jongen onderhield hij intieme relaties met allerlei vrouwen en zelfs met zijn eigen zusters. Zijn zus Drusilla wilde hij zelfs huwen, naar het voorbeeld der Ptolemaeën. Wettig gehuwd was hij viermaal: in 33 huwde hij Claudia, de dochter van Marcus Junius Silanus, maar deze stierf in 36 in het kraambed; in 38 nam hij Livia Orestilla, de echtgenote van Gaius Calpurnius Piso, tot vrouw, maar hij verstootte haar na korte tijd; in 39 huwde hij Lollia Paulina, de vrouw van Memmius Regulus, en joeg haar terstond weer weg; zijn laatste verbintenis was die met de courtisane Milonia Caesonia (39), de dochter van een prostituee en een onbekende vader. Caesonia was toen een reeds oudere vrouw die al drie dochters had. Hij had haar naar alle waarschijnlijkheid ontmoet in een bordeel of tijdens een van de orgiën die Caligula met enige regelmaat organiseerde. Het huwelijk vond plaats op voorwaarde dat Milonia Caligula een kind zou schenken. Milonia lost deze belofte in bij de geboorte van Julia Drusilla, genoemd naar haar tante, de favoriete zuster van Caligula. Volgens Suetonius zou Caligula direct na de geboorte van hun dochter met Caesonia zijn getrouwd, maar Cassius Dio meent te weten dat ze pas een maand na het huwelijk werd geboren. Dit kind, de oogappel van Caligula, verwierf al snel een reputatie voor haar wreedheid. Rome was ontzet dat de nieuwe keizerin een vrouw uit het volk was, een dochter van een prostituee. Het schandaal werd gevoed door het optreden van Caligula, die Milonia naakt voor zijn troepen (waarschijnlijk de Praetoriaanse Garde) en enkele uitgelezen vrienden liet paraderen en opschepte over haar schoonheid..

Caesonia wist Caligula door haar vitaliteit en zinnelijkheid aan zich te binden, al onderhield Caligula naar men zei, met zijn zusters Julia Livilla (Lebia) en Agrippina dezelfde betrekkingen als met de de keizerin. Met drankjes en toverspreuken probeerde zij zijn liefde te behouden. Na een tijd kreeg Caligula altijd weer genoeg van zijn nieuwe maîtraisse kwam dan weer bij haar terug. Hoewel Milonia naar verluidt geen grote schoonheid was, hield Caligula zielsveel van haar. De vraag waarom zij zijn aandacht wel kon vasthouden, terwijl hij zo snel verveeld raakte bij andere vrouwen, werd een obsessie voor hem en hij dreigde zelfs haar te martelen om achter het geheim te komen.

Terwijl de streken van Caligula met de dag erger werden, poogde Caesonia Caligula tot mildheid en gerechtigheid te overreden. Zo oogstte zij tenslotte door haar pragmatische aard en haar gelijkmoedigheid toch nog enig respect. Toen Caligula zichzelf Jupiter Latiaris ging noemen stelde hij Caesonia, samen met zijn oom Claudius en andere rijke personen aan als zijn priesters

Tiberius had Gaius Julius Caesar Germanicus ("Caligula") en diens neef Tiberius Gemellus als erfgenamen aangewezen, maar de commandant van de praetorianen Macro hielp Caligula op de troon (18 maart 37). Groot was de vreugde waarmee het Romeinse volk de zoon van de verafgode Germanicus begroette na de laatste sombere jaren van Tiberius. Inderdaad was het begin van Caligula's regering hoopvol: hij hield onder tranen de lijkrede op Tiberius, adopteerde Tiberius Gemellus en benoemde hem tot princeps iuventutis, eerde zijn grootmoeder Antonia en seponeerde alle aanklachten. Daarnaast gaf hij echter ook spelen aan het volk die schatten verslonden, en leefde zo verkwistend dat de door Tiberius gevulde schatkist weldra leeg was. Spoedig kwam de keerzijde van zijn karakter aan het licht, wellicht mede als gevolg van een ernstige ziekte in het najaar van 37. Hij verguisde Tiberius en zelfs zijn eigen moeder, verhaastte door bruut optreden de dood van zijn grootmoeder Antonia, liet Gemellus vermoorden en begon, om aan geld te komen, majesteitsprocessen tegen leden van de hoge adel en de ridderstand. Hij trad op als god-keizer en verlangde als incarnatie van Jupiter een eigen tempel op de Palatijn voor Optimus Maximus Caesar; openlijk liet hij zich vereren als de verpersoonlijking van verschillende goden en zelfs godinnen. In de tempel stond een levensgroot beeld van goud ter ere van zijn goddelijkheid. Iedere dag werd dit beeld in dezelfde kleren gehuld als die de keizer droeg. Wie hem naderde moest een voetval maken en zich in het stof werpen. Van alle godenbeelden liet hij de hoofden vervangen door een afbeelding van de zijne.  Bij de hofmaaltijden zaten zij als een eenzame majesteit aan een aparte tafel en het was de gasten streng verboden om maar één woord te zeggen. Onder hem heerste een waar schrikbewind. Wie hem niet voldoende eerbied bewees, werd te vuur en te zwaard vervolgd. 

Caligula was ook bijzonder bloeddorstig. Bij een gladiatorengevecht was hij niet tevreden als het bloed in de arena niet rijkelijk vloeide. Waren er geen misdadigers genoeg om voor de wilde dieren te werpen, dan werden er wel een paar toeschouwers gegrepen. Bij het volk was Caligula echter heel geliefd, want geen andere keizer organiseerde zoveel spelen en andere vermaken als hij. 

Zijn verjaardagen werden spectaculair gevierd met paardenraces en gladiatorengevechten, waarbij als klap op de vuurpijl honderden beren en andere wilde dieren uit Libië werden afgeslacht. Soms - als het echt feestelijk moest worden - werden er ook nog wat mensen tussen de dieren losgelaten.

In de tweede helft van het jaar 39 trok Caligula als een tweede Alexander naar het noorden met het XV-de en XXll-ste legioen naar de Rijn, volgens de officiële lezing omdat een orakel hem had aanbevolen zijn Bataafse lijfwacht aan te vullen, maar vermoed wordt dat er andere redenen waren: het uitroeien van een groep samenzweerders en het uitschudden van provincialen om de staatskas een wat vrolijker aanzien te geven. In ieder geval voerde Caligula in dat jaar met zijn legioenen een kort aanvalletje op Germanië uit. Het werd een schertsvertoning met in scène gezette aanvallen over de Rijn die door de keizer triomfantelijk werden afgeslagen. De schrijver Tacitus schrijft dat de vader van Brinno, de leider van de Cananefaten "ongestraft de draak stak met de komedie van de expeditie." 

Van Caligula zijn, behalve portretten op munten, een aantal borstbeelden bewaard gebleven; de voornaamste bevinden zich in Kopenhagen (Ny Carlsberg Glyptotheek), het Metropolitan Museum in New York en in het Louvre.

Na de winter in Lyon te hebben doorgebracht met het terroriseren, vermoorden en afpersen van rijke Galliërs, trok hij in de lente van het jaar 39 naar de kust, liet de manschappen inschepen en een paar rondjes dicht onder de kust varen. Alles leek erop dat de keizer Brittannië wilde veroveren. Dit alles was in het verhaal van Suetonius tekenend voor de krankzinnigheid van de keizer: "Uiteindelijk, alsof hij de oorlog wilde afronden, zette hij een slagorde neer op het strand langs de kust, met ballista's (een toestel dat wel lijkt op een abnormaal grote kruisboog, waarmee een zware werpspies kan worden afgeschoten] en andere artillerie) 

Plots gaf Caligula de soldaten opdracht hun helmen en zakken met schelpen te vullen en riep hij triomfantelijk: "Ziehier de op de Oceaan veroverde buit." De schelpen-"schat" voerde hij in de zomer in triomf naar Rome; en ook de schepen die bij de invasie waren gebruikt, evenals "krijgsgevangenen" uit Germanië, waarschijnlijk enkele toevallige voorbijgangers van de manoeuvres aan de Rijn.
Als aandenken aan zijn "overwinning" liet de keizer een hoge vuurtoren bouwen. De plaats waar deze vuurtoren ter ere van Caligula's "overwinning" werd gebouwd, is mogelijk Boulogne-sur-Mer, waar tot in de 17e eeuw de restanten van een enorme Romeinse vuurtoren zijn gevonden. 

rechts: Romeinse vuurtoren bij Dover

 

 

Er is echter ook nog een andere kandidaat: voor de Katwijkse kust, in de buurt van het castellum Praetorium Agrippinae (Valkenburg ZH), waar stenen ruïnes zijn aangetroffen die wij kennen als Brittenburg. In 1517 wordt voor het eerst melding gemaakt van de toren van Kalla (Caligula ?). 

links: het strand bij Katwijk waar de Rijn uitmond in zee

Het bestuur van het rijk, waarvoor Caligula zich nauwelijks interesseerde, werd in het algemeen voortgezet volgens de richtlijnen van Tiberius. Alleen stichtte Caligula ten behoeve van persoonlijke relaties een reeks vazalkoninkrijken in het Oosten: Iudaea met Julius Agrippa, Thracië, Pontus, Bosporus en Armenia minor met de zonen van Cotys, Commagene met Antiochus IV. 

Ptolemaeus van Mauretania (Marokko) werd omgebracht en zijn rijk als provincie geannexeerd. Ernstige gevolgen had de eis van Caligula dat zijn beeltenis opgesteld moest worden in de synagogen van de Joden. Dit leidde in Alexandrië tot ernstige onlusten. Hun gezantschap onder leiding van Philo moest echter onverrichterzake uit Rome terugkeren. In Jeruzalem moest de Syrische legaat Petronius het beeld van de keizer in de tempel plaatsen; slechts de onverwachte dood van Caligula voorkwam het uitbreken van een oorlog.

Links Caligula zet de urn met de as van zijn moeder in het familiegraf

Eustach de Sueur, 1647

De drukkende belastingen en het algemene gevoel van onveiligheid leidden tot voortdurende samenzweringen. De keizer was dan ook erg op z'n hoede en overal had hij spionnen en verklikkers. Degenen die van samenzwering beticht of zelfs maar verdacht werden, werden onmiddellijk terechtgesteld. In die tijd hadden ook de Christenen het zwaar te verduren. Zij werden zwaar vervolgd. 

Pas toen officieren der Praetorianen onder Cassius Chaerea, gesteund door de machtige vrijgelatene Callistus, ingrepen, was het lot van Caligula bezegeld.  Op 24 januari 41 kwam het tot een uitbarsting. Een samenzwering onder zijn hovelingen en andere hooggeplaatste Romeinen doet Caligula de das om en hij wordt vermoord. Tijdens de chaos bestormen de samenzweerders het paleis om ook de keizerlijke familie van het leven te beroven. Milonia Caesonia, zo melden de bronnen, stierf waardig; "Maak er geen troep van" waren haar laatste woorden. Haar dochter Julia Drusilla vloog de moordenaars van haar moeder krijsend, krabbend en bijtend aan en werd vermoord door haar hoofd tegen een muur te slaan.

Claudius (41 - 54 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 10-02-04

Colofon