3356

Het Amhphitheatrum Flavium (Colosseum)

In de stad Rome, op de plaats van het park van Nero's Gouden Huis liet keizer Vespasianus (69 - 79 n. Chr.)  een enorm amfitheater bouwen, het Amphitheatrum Flavium of Amphitheatrum Caesareum.
In de 11e eeuw kreeg het amfitheater de naam Colosseum, naar het kolossale bronzen standbeeld van Nero, geïnspireerd door de Colossus van Rhodos. 
Het Amphitheatrum Flavium was voor die tijd een architectonisch wonder: een vrijstaand theater zonder steun van een aangrenzende heuvel, gebouwd op de drassige grond waar vroeger een kunstmatig meer van het paleis van Nero had gestaan. Het complex was 52 meter hoog en kende oorspronkelijk een arena van 19.000 vierkante meter en bood in totaal plaats aan 70.000 bezoekers. De zitplaatsen werden verdeeld in vijf sectoren, gerangschikt naar sociale klasse. De hoogste ringen van het amfitheater waren voor de middenklasse. 

 

In het midden van de grootste ring stond de kamer van de keizer. Tevens was er een doorgang, de doorgang van Commodus, gemaakt in de fundering van het gebouw. Ook waren er verschillende liften die de dieren naar het podium moesten tillen en die tevens dienden als opslagplaats voor materiaal. Het Colosseum was de grootste arena van de oude wereld. Hier bevochten gladiatoren elkaar en vonden slachtpartijen plaats.Vespasianus heeft het gebouw niet af gezien. Het amfitheater werd vrijwel zeker betaald met de opbrengst van de plundering van Jeruzalem in 70 na Chr. De Romeinse legioenen in Judea stonden aanvankelijk onder bevel van Vespasianus, maar kwamen onder bevel van Titus, toen Vespasianus tot keizer werd uitgeroepen.
Het was   Titus die verantwoordelijk was voor de inname van Jeruzalem en de plundering van de beroemde tempel van Herodus in het jaar 70. Volgens de overlevering werd Titus verblind door de schittering van de schatten en Romeinse geschiedschrijvers schreven dat Rome, ondanks al zijn rijkdom, nog nooit zoveel schatten bij elkaar had gezien als die welke Titus meebracht als oorlogsbuit. Het reliëf op de boog van Titus, vlak naast het Colosseum, herinnert aan de triomfantelijke intocht in de hoofdstad met de buitgemaakte schatten. Het Colosseum werd ingewijd door zijn zijn zoon Titus, die hem na zijn dood in 79 opvolgde en afgebouwd door zijn andere zoon Domitianus, die in 81 aan de macht kwam, na Titus' dood. 
De festiviteiten die georganiseerd werden bij de inwijding namen drie maanden in beslag en kostten 9000 wilde dieren en 2000 mensen het leven. Die beesten kwamen van ver weg: panters uit het Midden-Oosten, beren uit Engeland, paarden uit Spanje, leeuwen, krokodillen en nijlpaarden uit Afrika.  De menselijke slachtoffers waren slaven en misdadigers die elkaar met zwaarden, speren en drietanden af moesten slachten op de meest ongelooflijke manieren geëxecuteerd werden of tussen de kaken van de roofdieren aan hun eind kwamen. 
In het Colosseum werden zelfs ook zeeslagen nagespeeld. De arena wordt dan gevuld met water. Ook werden er duizenden Christenen vermoord als vermakelijk schouwspel. De gewoonte om twee mensen tot de dood erop volgt met elkaar te laten vechten, was van oorsprong een begrafenisritueel.

Rechts: Mozaïek in het Colosseum (Foto: Bert Woudstra 2010)

Welgestelde Romeinen organiseerden bij het familiegraf krachtmetingen tussen slaven, waarschijnlijk om de overlevenden in het hiernamaals van bedienden te voorzien. Dat trok veel bekijks. Rome was toen nog een republiek en ambitieuze politici kregen al snel door dat dergelijke vertoningen dé manier waren om aanhang bij het volk te krijgen. De gevechten groeiden in omvang en konden op den duur alleen nog op een speciale plaats, het amfitheater, plaatsvinden. De slaven werden vervangen door professionele vechtersbazen, de gladiatoren (naar het Latijnse woord gladius = zwaard).

Toen Rome vlak voor het begin van onze jaartelling een keizerrijk werd, was het hek helemaal van de dam. Julius Caesar had weinig belangstelling voor het vermaak. van hem werd gezegd dat hij zich tijdens de voorstellingen bezighield met het lezen en beantwoorden van brieven. Keizer Augustus hoefde de evenementen in het amfithetaer niet meer uit eigen zak te betalen, maar haalde het geld uit de staatskas. "Zijn spelen overtreffen die van al zijn voorgangers in aantal, gevarieerdheid en luister", schreef de Romeinse historicus Suetonius. "Gladiatorenwedstrijden gaf hij niet alleen op het Forum of in het amfitheater, maar ook in het Circus Maximus en de Saepta. Soms omvatten deze voorstellingen slechts gevechten met wilde dieren. Ook sportwedstrijden gaf hij, waarvoor op het Marsveld houten banken werden opgesteld en verder een zeeslag in een speciaal daarvoor gegraven meer bij de Tiber. Op die dagen posteerde hij wachters in de stad om te voorkomen dat dieven er hun slag zouden slaan, want bijna niemand bleef thuis."

Als we Suetonius mogen geloven was keizer Claudius een nog grotere liefhebber. Hij wilde altijd de gezichten van de stervende gladiatoren zien en liet eens enkele theatertechnici die volgens hem de voorstelling ophielden, ter plekke om zeep brengen. "Gevechten tegen wilde dieren en voorstellingen tussen de middag vond hij zo boeiend dat hij in alle vroegte naar de voorstelling kwam en 's middags, als het volk weg was gegaan om te eten, bleef zitten."

Links: Helm van een gladiator (Foto: Bert Woudstra, 2010)

Die voorstellingen tussen de middag waren doorgaans het derde onderdeel van een evenement in de arena. De show begon 's ochtends om een uur of negen met wat de Romeinen een "jacht" noemden. Allerlei exotische dieren gingen elkaar te lijf (leeuwen tegen stieren bijvoorbeeld, anders wel beren tegen wurgslangen) of werden door bestiarii gedood. Om het allemaal nog echter te maken, waren vaak heuvels en waterpartijen aangelegd en struikgewas geplaatst. Ook bij het tweede onderdeel speelden wilde beesten een rol, maar nu moesten die juist op mensen jagen. De dieren waren letterlijk niet aan te slepen. Zo verdween door het toedoen van de Romeinen de leeuw uit het Midden-Oosten en de olifant uit Noord-Afrika.

Tegen het middaguur zat iedereen weer op zijn plaats, want dan verschenen de gladiatoren in de arena. Het publiek sloot weddenschappen af. Zoude met een klein schild en kromme degen bewapende Thraciër het winnen van de murmillo in zijn Gallische wapenuitrusting? Overleefde de retairus, die alleen een net en een drietand had, het gevecht tegen de zwaarbewapende secutor? 

Links: Tumult op de tribunes in het Colossum (Foto: Bert Woudstra, 2010)

Verder waren er strijders te paard, de andabatae, die als wapen een lans hadden en een helm droegen waar je niet doorheen kon kijken.

Honderden gladiatoren werden er tijdens een voorstelling doorgedraaid. Keizer Trajanus organiseerde in het jaar 107 een vier maanden durend evenement waarbij 10.000 zwaardvechters in het strijdperk verschenen, afkomstig uit het leger van 50.000 krijgsgevangenen dat de veldtocht in Dacië hem had opgeleerd. Sommige heersers probeerden af en toe iets nieuws en lieten vrouwen het opnemen tegen dwergen, oude mannen tegen aftandse leeuwen en blinden tegen blinden.

Links: Ondergrondse ruimten van het Colosseum (Foto: Bert Woudstra, 2010)

Door branden en aardbevingen raakte het gebouw in verval. Tussen de 2e en de 5e eeuw waren verschillende restauraties nodig om het gebouw wat op te kalefateren. Een groot deel van het Colosseum staat nog steeds overeind. Het geldt als een van de belangrijkste monumenten die de Romeinse beschaving heeft nagelaten. Een oud spreekwoord luidt: Rome zal bestaan zolang het Colosseum bestaat en als het Colosseum valt, dan zal ook Rome eindigen.

Rechts: het Colosseum anno 2010. (Foto: Bert Woudstra, 2010)

laatst bijgewerkt: 12-07-10

Colofon