3352

Nero's Gouden Huis (Domus Aurea)  64 n. Chr.

Keizerrijk Rome (43 v. Chr, - 98 n. Chr.); Stad Rome

De Domus Aurea (het Gouden Huis van Nero) werd na de grote brand van Rome in 64 na Chr. gebouwd op de ruïnes van de afgebrande gebouwen. Het grootste en duurste paleis van de oudheid werd gebouwd in opdracht van keizer Nero  (54-68 na Chr.), onder leiding van zijn architect Severus, op de plaats van het vroegere paleis op de Palatinus, dat Nero niet meer beviel. Het strekte zich uit van de Palatinus tot de Esquilinus en de Caelius. 

De oostvleugel werd gebruikt voor openbare recepties, de westvleugel was Nero's 'huis'. De muren en daken van dit paleis waren bedekt met goud en ingelegd met parelmoer en edelstenen. De zoldering in de eetzaal was bedekt met schijven ivoor, die geopend konden worden om tijdens de maaltijden bloemen en welriekende geuren op de gasten te laten neer regenen. Voor Nero's gouden huis stond een 36 meter hoog beeld van goud, zilver en brons, dat Nero voorstelde als de zonnegod. Rond het paleis lagen enorme tuinen, parken en vijvers. 

De bouwmeesters hadden de Egyptisch-Oosterse bouwkunst als voorbeeld genomen.'Hun poging de natuur te overtreffen', zo zei Tacitus, (Romeins geschiedschrijver, 55-116/120 na Chr.) 'heeft de keizer een vermogen gekost.' Tacitus noemde het nieuwe paleis een wonder, deels om zijn overvloed in goud en edelstenen (waarvan overigens nooit een spoor is teruggevonden), maar vooral om de afwisselende vormgeving en de vele panorama's, pleinen en weiden.

Domus Aurea met de Laöcoongroep geschilderd door Georges Chedanne, 1895

 

Suetonius (Romeins geleerde en tevens biograaf van keizer Nero, 75-150 na Chr.) geeft ons, in zijn biografie over Nero, een idee van de enorme afmetingen van het paleis: 'De voorhal was zo hoog dat een kolossaal bronzen beeld van Nero (Collosus Neronis, gemaakt door de griek Zenodoros) met een hoogte van zevenendertig meter rechtop in de hal kon staan, en zo breed dat de hal een zuilengang van drie rijen zuilen bevatte van een mijl lang. Binnen het complex bevond zich een ovaal, kunstmatig meer groot als een zee. Wanneer de keizer een feest gaf, werden banketten geserveerd op bootjes en in bordelen aan het meer waar vrouwen van adel de dienst uit maakten. Nero had langs de oevers groepen gebouwen laten plaatsen die steden moesten voorstellen. Het paleis had landerijen met korenvelden, wijngaarden, weiden en bossen in bonte variaties met alle soorten tamme en wilde dieren.' 
Als je kijkt naar deze afmetingen dan is het niet raar dat gebouwen als de Tempel van Claudius moesten worden afgebroken om plaats te maken voor Nero's droom. Suetonius vervolgt zijn verhaal met de beschrijving van het interieur van dit reusachtige complex: 
"De zalen waren alle verguld en met edelstenen en parelmoer ingelegd. De plafonds van de eetzalen waren versierd met ivoorsnijwerk en er waren luiken in gemaakt, zodat er bloemen over de gasten konden worden uitgestrooid. Ook was er een buizenstelsel in aangebracht waaruit men geurige stoffen kon laten sproeien. De banketzaal had een ronde vorm en een houten koepelplafond dat dag en nacht ronddraaide en zo het heelal voorstelde. De zaal bevatte baden: enkelen met stromend zeewater en anderen met zwavelhoudend water."

Wat betreft deze koepelzaal staan de archeologen ook in onze tijd, waarin de technische ontwikkeling ver gevorderd is, voor een groot raadsel. Nero was net als vele andere Romeinse keizers erg bang vermoord te worden. Hij liet zijn paleis daarom versterken door dikke muren en brede grachten. Naast het meer had Nero een beeld van de zonnekoning Apollo laten plaatsen: de Colossus. 

Toen het paleis klaar was en keizer Nero het inwijdde, keurde hij het in zoverre goed, dat hij zei, dat hij eindelijk een menswaardige woning had gekregen! Nadat Nero in 68 na Chr. zelfmoord had gepleegd, werd door keizer Otho (68 na Chr.) nog een fortuin besteed om het bouwwerk af te maken. Maar zijn dood belemmerde de definitieve afbouw. De meeste opvolgers wilden zoveel mogelijk sporen van de met grootheidswaanzin behepte keizer Nero uitwissen. Het gezicht van de zonnekoning bijvoorbeeld had wel erg veel weg van dat van Nero zelf. Ook Vespasianus had dit in de gaten en begon zich er op een moment zo aan te ergeren, dat hij het hoofd liet vervangen door dat van Apollo. Enkel een wit vierkant in het wegdek herinnert ons nog aan de plaats van het beeld, dat in de moderne tijd moest wijken voor het verkeer. 

Zo probeerden de Romeinen terug te geven, wat Nero van hen af had gepakt. Het huis is zelfs een tijdje gebruikt als een soort appartementenflat, waarin meerdere mensen konden wonen. Vespasianus stelde grote stukken van het terrein open voor publiek. Op de plaats van het meer verrees het Colosseum. Bovenop de benedenverdieping van het deel van het Gouden Huis dat door Vespasianus werd gespaard, werden de thermen van Traianus gebouwd. Keizer Domitianus liet Nero's verblijf op de Palatinus afbreken. Tenslotte gaf keizer Hadrianus opdracht de enorme voorhal af te breken en er de tempel van Venus en Roma (links van het Amphitheatrum Flavium op het kaartje) op te bouwen. 
De eerste zalen van de Domus Aurea zijn ontdekt door arbeiders die in de 16e eeuw op de Oppius-heuvel in de ondergrondse gewelven doordrongen. De onderaardse gewelven waren versierd met fresco's en stucwerk. De versieringen werden niet onmiddellijk herkend. Men dacht dat de gangen altijd al ondergrondse zijn geweest. Ze werden 'grotten' genoemd, de versieringen 'grotesken'. De grotesken stelden libellen met vrouwenhoofden voor en mannen met hele grote armen. De versieringen zijn een grote inspiratiebron voor kunstenaars als Raphaël (voor bijvoorbeeld de versiering van de Vaticaanse loges) en Michelangelo geweest. Maar het belangrijkste is eigenlijk dat dit de eerste gekleurde afbeeldingen waren die ons iets vertelden over de oudheid. 
In het gouden huis zijn talloze rijkdommen gevonden. Meer dan 25 standbeelden werden naar boven gehaald; de belangrijkste vondst werd gedaan in 1506. De eigenaar van het terrein vond een beeldengroep van kinderen met hun vader die door een slang worden gewurgd. De beeldengroep werd door deskundigen onmiddellijk herkend als het door Plinius de Oudere beschreven 'meesterwerk der kunsten' uit een Rhodisch atelier. Het was de Laöcoongroep, een kunstwerk van Hagesandros, Polydoros en Athanadoros van Rhodos. Het beeld werd door paus Julius II gekocht en naar het Belvedere in het Vaticaan gebracht. In 1515 werd het door Frankrijk als oorlogsbuit opgeëist, maar het Vaticaan weigerde het af te staan en liet een kopie maken. Noch het origineel, noch de kopie hebben Frankrijk bereikt. In 1797 werd het door Napoleon alsnog als oorlogsbuit meegenomen en ondergebracht in het Louvre in Parijs. Maar na de val van Napoleon kwam het terug in het Vaticaan. Het beeld werd in de 16e eeuw verkeerd gerestaureerd, maar is tegenwoordig, zo goed als mogelijk was, in de oude staat hersteld. De ruïnes van het Gouden Huis liggen dus diep onder de thermen van Trajanus. Men kon het vroeger bezichtigen, maar instortingsgevaar door aardverschuivingen maakt het noodzakelijk dat de onderaardse gewelven nu voor het publiek gesloten zijn.

laatst bijgewerkt: 20-05-07

Colofon