3201

Natuur en landschap (270 - 300 n. Chr.)

Vanaf ± 270 verslechterde het klimaat in het deltagebied van de Rijn en de Maas aanmerkelijk. De schone dagen voor het terpenland voorbij. Westenwinden kregen de overhand. De tijd van blauwe luchten was voorbij. Wolken en regen werden gewoon. De gemiddelde temperatuur daalde met ± 5 graden. In de herfst joegen noordwesterstormen de vloeden ver en hoog het land op. Tijdens een stormvloed beukte een zware noordwesterstorm de kust, waar alleen een lage duinenrij lag. Op enkele plaatsen sloegen de wind en de golven grote bressen in de strandwal en overstroomde het weiland achter de duinen lag dat veranderde in kwelderland. 

Het grootste deel van de westelijke Lage landen veranderde in een woest en vrijwel ontoegankelijk gebied met plassen, moerassen en drassige gronden. De oevers langs het vroegere Flevomeer brokkelden geleidelijk af en de grote eilanden verdwenen onder water. Het Flevomeer veranderde daardoor in een grote binnenzee: het Almere. Op een kwade dag brak de zee bij hoge vloed en sterke westenwind door de lage duinen en drong diep door in het binnenland. De laag gelegen landerijen werden overslibd.  De bewoners trokken naar de wat hoger gelegen delen, zoals de duinstrook en de heuvels van het Gooi. Lange tijd bleef het grootste deel van Holland onbewoond en kon de natuur ongestoord haar gang gaan. Ook Zeeland veranderde, evenals het kustgebied van Vlaanderen, in een waddengebied. 

In het noorden werden door het in- en uitstromende water bij vloed en eb steeds meer stukken land weggespoeld tot op het laatst de zee er met lange armen doordrong tot diep in het binnenland. Langzaam groeide daar de Waddenzee (z. ook: Lage Landen (1 - 47 n. Chr.); z. voor het ontstaan van de Noordzee: West- en Midden Europa (10.000 - 8000 v. Chr.) Ook hier vluchtten de boeren naar de hoger gelegen stukken land of bouwden terpen, maar door de aanhoudende stijging van het zeewaterpeil moesten die telkens worden opgehoogd. Omstreeks 300 n. Chr. werd Terschelling een eiland.

De Fries-Groningse kleigebieden en het westelijke kustgebied van de Lage Landen raakten bijna geheel ontvolkt. De Friese aardewerk stijl verdwijnt en de potten gaan sterk op die van de oosterburen (Chauken?, Saksen?) lijken. Deze ontvolking vond niet alleen in het Friese gebied plaats, ook in de Baltische- en Noord-West Europese kustgebieden trok de bevolking aan het einde van de tweede eeuw de binnenlanden in. Over de oorzaak van deze ontvolking tasten wetenschappers in het duister; voor overstromingen en zeespiegelrijzing zijn (nog) geen bewijzen gevonden. Misschien moeten we denken aan misoogsten, veepest, of betere economische perspectieven in andere streken.

Lage Landen 300 - 400 n. Chr.

laatst bijgewerkt: 30-08-02

colofon