2673 |
Terpen (550 v. Chr. - 1000 n. Chr.) |
![]() De kleigebieden die langs de Noordzeekusten van Nederland, Duitsland en Denemarken liggen, waren vóór 700 v. Chr. onbewoonbaar. Alleen in het huidige West-Friesland woonden mensen. Vanaf 600 v. Chr. vinden we de eerste nederzettingen op het Fries-Groningse kleigebied (Texel, Tritsum, Hichtum, Wommels, Stapert, Hogebeintum, Ezinge en Middelstum). Vanaf 550 v. Chr.. is er sprake van een vrij massale kolonisatie. Dan begint een terpenlandschap te ontstaan. |
Omstreeks 500 n. Chr. was Friesland een land van terpen en wadden, van kreken en plassen en van rivieren en zeestromen. Midden in het vlakke Friese land lag de Middelzee en waar nu het IJsselmeer is, stroomde toen de Vlie uit in de Noordzee. Op de terpen in dit gebied woonden de boeren temidden van de lage wei- en hooilanden. In de winter liep al het land rondom de terpen onder water. De zee legde dan een laagje slib neer. Als de grond weer droog was, groeide daar veel gras. Het slib was erg vruchtbaar. |
![]() |
![]() |
Tijdens de bloeitijd van de Friese handel (734-850) was de terpenbewoning al meer dan 1000 jaar aan de gang. Waar eerst slechts enkele boerderijen stonden, verrezen nu gehuchten en dorpen. Op deze heuvels waren de boerderijen gebouwd rondom het dorpsplein. Elke boerderij min of meer in de vorm van een taartpunt. De zijde die op het plein uitmondde was smaller dan die aan de buitenzijde. |
De boerderijen waren verdeeld in drie ruimten. Aan de achterkant waren de staldeuren, waardoor het vee naar buiten kon. Om het hele dorp heen liep een ringweg, de ossenweg, waardoor het vee naar de weiden kon worden gebracht. Van de Friezen weten we veel dankzij de opgraving van de terp Ezinge (prov. Groningen) door Prof van Giffen tussen 1931-1934. Tal van verrassende vondsten leidden tot een heel nieuw beeld van de geschiedenis van de Friezen, van hun strijd tegen het water, hun contacten met andere volkeren, hun wijze van bestaan en hun welvaart. | ![]() |
De terpen bleken schatkamers van de historie te zijn en diverse archeologische onderzoekingen volgden op die van Ezinge. Uit deze onderzoekingen bleek dat de Friezen vrij welgesteld waren, getuige hun grote boerderijen. De Friezen leefde er echter een armetierig bestaan. Akkerbouw was alleen mogelijk op de flanken van de terpen. Op de glooiingen van de heuvels werden peulvruchten en granen verbouwd. Maar de oogst was nooit groot genoeg. De weiden waar het vee graasde, lagen om de terpheuvel heen, evenals de hooilanden, die verder zeewaarts lagen en die grensden aan de slikken en kwelders, die in zee uitliepen. Bij vloed kwamen slikken en kwelders regelmatig onder water te staan. De hooi en graslanden bleven 's zomers meestal wel droog. Bij najaars- of winterstormen of bij onverwachte springvloeden werden ook zij overspoeld. Meestal kon men echter dan nog wel bij tijds het vee binnenhalen. De Friezen moesten dus steeds de zee in de gaten houden. In West-Friesland (tegenw. prov. N- en Z-Holland) wilde helemaal geen graan groeien. Daar leefde het armetierig volk van de schapenteelt. Altijd op de rand van het bestaan. En altijd beducht voor veel kinderen, want teveel mensen betekende honger voor allen. Vaak werden de zuigelingen vermoord (verdronken in een ton), of te vondeling gelegd (wat op het zelfde neerkwam). ] 's Winters waren de terpdorpen zo goed als geïsoleerd van de buitenwereld. |
De boeren konden veel koeien houden en bouwden grote boerderijen. Maar langzamerhand steeg het zeewater. Het gebeurde wel eens dat zelfs de terpen onder water kwamen te staan. Daarom werden de terpen telkens verhoogd. Sommige terpen werden wel zes keer. In elke laag werden weer andere potten, munten en afdrukken van huizen teruggevonden. Tegen de hellingen van de terpen lagen de graanakkers. Het vee zorgde voor melk en vlees en de schapen voor wol. Het wonen op terpen is er bij sommige Friezen nooit meer uitgekregen: voor de kust van Sleeswijk-Holstein komen ze nog voor onder de naam Halligen. Omdat terpen voortdurend moesten worden opgehoogd om de stijgende zeespiegel voor te blijven, zijn het paradijzen voor archeologen geworden, zoals de terp van Wijnaldum laat zien. Deze 3 km lange terpenreeks moet lange tijd een centrum van Friese zeehandel zijn geweest. |
![]() |
In lagen uit de 6e eeuw werden onder andere Byzantijnse munten aangetroffen, maar ook Gallische terra-sigillata (voor de Romeinen gemaakt aardewerk), een Minervabeeldje, Angelsaksisch aardewerk en een gouden mantelspeld met almandijn, die vermoedelijk in Friesland is gemaakt door een in het Britse Kent opgeleide edelsmid.
Van de Friezen weten we veel dankzij de opgraving van de terp Ezinge (prov. Groningen) door Prof van Giffen tussen 1931-1934. Tal van verrassende vondsten leidden tot een heel nieuw beeld van de geschiedenis van de Friezen, van hun strijd tegen het water, hun contacten met andere volkeren, hun wijze van bestaan en hun welvaart. rechts: de terp van Ezinge |
![]() |
De terpen bleken schatkamers van de historie te zijn en diverse archeologische onderzoekingen volgden op die van Ezinge. Uit deze onderzoekingen bleek dat de Friezen vrij welgesteld waren, getuige hun grote boerderijen. De Friezen leefde er echter een armetierig bestaan. Akkerbouw was alleen mogelijk op de flanken van de terpen. Op de glooiingen van de heuvels werden peulvruchten en granen verbouwd. Maar de oogst was nooit groot genoeg. De weiden waar het vee graasde, lagen om de terpheuvel heen, evenals de hooilanden, die verder zeewaarts lagen en die grensden aan de slikken en kwelders, die in zee uitliepen. Bij vloed kwamen slikken en kwelders regelmatig onder water te staan. De hooi en graslanden bleven 's zomers meestal wel droog. Bij najaars- of winterstormen of bij onverwachte springvloeden werden ook zij overspoeld. Meestal kon men echter dan nog wel bij tijds het vee binnenhalen. De Friezen moesten dus steeds de zee in de gaten houden. |
![]() |
In West-Friesland (tegenw. prov. N- en Z-Holland) wilde helemaal geen graan groeien. Daar leefde het armetierig volk van de schapenteelt. Altijd op de rand van het bestaan. En altijd beducht voor veel kinderen, want teveel mensen betekende honger voor allen. Vaak werden de zuigelingen vermoord (verdronken in een ton), of te vondeling gelegd (wat op het zelfde neerkwam). ] 's Winters waren de terpdorpen zo goed als geïsoleerd van de buitenwereld.
Op de foto links zie je de resten van oude boerderijen in Ezinge. Deze kwamen tevoorschijn tijdens oudheidkundige opgravingen in de jaren '30. |
In sommige terpen vinden we wel zes bouwlagen boven elkaar. Terpen lagen in het hele gebied van de Friezen, tussen Vlaanderen en de Deense grens. Veel terpen zijn verdwenen door de verwoestende werking van stormvloeden, maar ook door afgravingen, omdat men de zeer vruchtbare terpaarde goed kon gebruiken toen dijken de terpen overbodig maakten. De hoogste terp is Hoogbeintum, ten westen van Dokkum (11 meter hoog).
Eeuwenlang was het wonen op de terpen betrekkelijk veilig. Alleen bij zware storm moesten de terpbewoners het vee tijdig op de woonheuvels zien te krijgen. Pas tijdens de transgressiefasen werd het leven op deze terpen gevaarlijk en vielen er vermoedelijk talloze slachtoffers. Ophogingen van de woonheuvels en later het bouwen van dijken werd noodzakelijk. laatst bijgewerkt: 27-05-04 |
Transgressiefasen waren perioden met voortdurende stijging van de zeespiegel. Transgressiefasen vonden plaats tussen 270-500, 850-1000 en 1200-1570. Ook tegenwoordig zitten we weer in een transgressiefase, die zo'n 200 jaar geleden is begonnen. |