3342

De Lage Landen (47 - 100 na Chr.)

Lage Landen 1  Chr. - 47

Het gebied ten noorden van de Rijn bleef een onzeker bezit. In 47 n. Chr. stuurde keizer Claudius (41-54) generaal Chaeus Domitius Corbulo naar het noorden van de Lage Landen om op te treden tegen lastige stammen, zoals de Chauci (Chauken), een rond de Eemsmond in Oost-Friesland levend zwerfvolk dat ook wel rond het Flevomeer werd gesignaleerd. Na deze veldtocht gaf keizer Claudius hem de opdracht zich terug te trekken naar de Rijn en hiervan de noordelijke grens van het Romeinse Rijk te maken. 
Voor de verdediging werden langs de Rijn, vanaf Katwijk (het door de zee verzwolgen Brittenburg) tot in het Duitse Xanten extra forten en wachtposten gebouwd buiten de al bestaande forten in Valkenburg en Vechten. Zij waren met elkaar verbonden door de bestaande weg over de oever van de Rijn.
Om de gevaarlijke tocht over de zee te vermijden liet Corbulo ook een waterverbinding leggen tussen de Rijn en de Maas, die ongeveer de route volgde van de huidige Vliet en het Rijn-Schiekanaal. Omdat bij Katwijk veel dakpannen zijn gevonden met stempels van de vloot van Neder-Germanië zal er hier ook wel een vlootstation hebben gelegen. Langs de Vliet bij Leidschendam en in de polder Roomburg bij Leiden zijn in 1989 de resten van dit kanaal teruggevonden.

Omdat de Romeinen steeds maar weer op te grote tegenstand van de Friese stammen stuitten, zagen ze af van verdere veroveringen in de lage landen. Wel sloten ze verdragen met enkele Germaanse stammen, die in de gebieden langs de Rijn woonden, zoals de Frisii en de Frisaevones, Bataven en de Saliërs en Chamaven, die het gebied bewoonden tussen IJssel en Lippe (Salland en West-Overijssel). Zij betaalden de Romeinen belasting in de vorm van koeienhuiden en moesten soldaten leveren aan het Romeinse leger. Ook ontstonden er handelscontacten tussen en Romeinen, wat blijkt uit verschillende vondsten van kleine Romeinse voorwerpen, zoals munten en godenbeeldjes. 

Romeinsgezinde Germaanse stamhoofden kregen het Romeinse burgerrecht. Ze namen allerlei Romeinse gewoonten en gebruiken over. Ze gingen Romeinse kleren dragen, gebruikten het fijnere, luxe Romeinse aardewerk en glas en hun kinderen gingen naar school. Hun woningen droegen ook duidelijke Romeinse sporen, zoals aangelegde funderingen, gebruik van bakstenen, centrale verwarming en muurschilderingen.  

Keizer Domitianus verhief in het jaar 90 de twee militaire gewesten langs de Rijn tot volwaardige provincies: Germania Inferior (met als hoofdstad Colonia Agrippina) en Germania Superior (met als hoofdstad Moguntiacum, het huidige Mainz). Het adjectief Inferior verwijst naar de ligging van de provincie ten opzichte van Rome en Germania Superior. Beide provincies waren grensgebieden van het Romeinse Rijk en maakten als zodanig deel uit van de limes. De provincies kenden veel versterkte plaatsen en er waren veel troepen aanwezig.

Aan de Maasoever bij het Brabantse Kessel hebben archeologen in 2004 de resten blootgelegd van de grootste en meest monumentale Romeinse tempel die ooit in Nederland is aangetroffen. 

De tempel van Kessel werd waarschijnlijk rond 100 na Christus gebouwd op een plek waar daarvoor al een belangrijke cultusplaats lag uit de Late IJzertijd. Daarop wijzen de vele offerobjecten die hier zijn opgebaggerd: Keltische munten, wapens en ook menselijk botmateriaal. Vermoedelijk gaat het hier om het hoofdheiligdom van de Bataven. De hier vereerde godheid is niet met zekerheid bekend, maar aan de hand van het prominente aanwezige wapentuig onder het offermateriaal (o.a. resten van 26 zwaarden), vermoeden de archeologen dat het om de Bataafse hoofdgod Hercules Magusanus gaat.

De archeologen zijn in staat het heiligdom grotendeels te reconstrueren dankzij de bouwregels van de Romeinse architect Vitruvius. Ook werden de blootgelegde restanten vergeleken met andere bouwwerken uit het Romeinse rijk. Daaruit blijkt dat op de vindplaats een enorme Gallo-Romeinse omgangstempel heeft gestaan met een indrukwekkende voorhal waarin ruim zes meter hoge kalkstenen zuilen stonden (zie afbeelding boven van de reconstructie). Niet eerder is in Nederland zo’n groot monumentaal Romeins heiligdom aangetroffen.

Aan de hand van de restanten konden de onderzoekers vaststellen dat de tempel van divers bouwmateriaal is opgetrokken. Verschillende losse muursegmenten bleken op typisch Romeinse te zijn geconstrueerd: een kern van beton (opus caementicium) en aan de buitenzijden een regelmatige bekleding van kleine, rechthoekige tufsteenblokken. 
Daarnaast was het complex opgebouwd uit grote, rechthoekige blokken tufsteen van circa 1 meter per stuk en prachtig versierde architectuurdelen van witte kalksteen. Aan de hand van de bouwkundige aard, de forse afmeting en het historische perspectief concluderen de onderzoekers dat de bouwwerk een Gallo-Romeinse tempel is geweest.

In Nederland zijn twee eerdere voorbeelden bekend van Gallo-Romeinse tempels, namelijk de heiligdommen van Empel en Elst. Afgaande op de afmetingen en de kwaliteit van de decoratieve architectuur, wordt de tempel van Kessel als de meest monumentale beschouwd. De architectuurresten van de Kesselse tempel zijn later gebruikt voor de aanleg van een Laat-Romeinse versterking. Die werd in de vierde eeuw gebouwd op de zuidelijke oeverwal van de Maas bij de samenvloeiing met de Waal.

vervolg

laatst bijgewerkt: 31-05-07

Colofon