2751

Bourgondiërs (Burgundi) (ca. 350 - 437)

Gallia Lugdunensis (51v. Chr.- 400 n. Chr.)
De Bourgondiërs (Bourgonden, Burgundi) waren een Oost-Germaans volk, evenals de Goten en de Vandalen, mogelijk afkomstig uit Scandinavië. Het eiland Bornholm heette oorspronkelijk Borgundarholm (eiland van de Bourgondiërs). 

De Bourgondiërs trokken naar het vasteland tussen de Oder en de Weichsel en vandaar kan men hun sporen volgen door Duitsland heen tot de tegenwoordige Rijnpalts, waar zij aan het eind van de 4e eeuw een rijk stichtten aan de bovenloop van de Main in de omgeving van Worms, dat wil zeggen op Romeins gebied in het toenmalige Germania Superior

Hun stamleider was Gebicca, ook bekend als Gjúki, Gifica, Gifica, Gibica en Gebicar en leefde van ca.353 tot ca 407. Hij had zich door middel van verdragen verbonden met het Romeinse rijk en leverde soldaten voor het leger. Gebicca wordt genoemd in het Angelsaksische gedicht Widsith als Gifica en als Gjúki. In het gedicht Atlakviða van de Poëtische Edda wordt hij genoemd als de vader was van Gunnar ( Gundahar (Gundohar, Gondikar, Gunther) (gunda harijaz = strijder met het schild), die zijn vader ca. 407 opvolgde. In in de winter van 406-407 staken de Bourgondiërs (onder zijn leiding?) samen met de Vandalen, Alanen en Suebi en groepen Alamannen bij Mainz de bevroren Rijn over (zie: Westelijke provincies 395 - 407), waarna de barbaren zich uitspreidden over geheel Gallië, overal een spoor van vernieling achterlatend. Hun uiteenrijtende tocht door Gallië naar Spanje in 406-409 verzwakte Rome's greep op de buitengewesten. Het was in die periode tussen 420 en 440, toen de grenzen van het rijk in duigen vielen, dat de Frankische leiders Pharamond (409-428) en Chlogio (Chlodio, Clodion) (428-448 of 426-447) de macht zelf in handen begonnen te nemen, hoewel het Romeinse gezag nog niet totaal was verdwenen. De Vandalen, Alanen en Suebi trokken daarna de Pyreneeën over, mogelijk verdreven door de legioenen van Constantijn lll (caesar van Gallia, Brittania en Spanje) of onder druk van de Franken of louter uit behoefte aan nieuwe roof- en plundertochten. 

In 411 stond het rijk van Constantijn lll (407-411), het Imperium Galliarum: Brittannië, Gallië en Noord-Spanje) op instorten. Een ambitieuze legerofficier uit Noord-Spanje, Gerontius, kwam in opstand en belegerde de stad Arelatum (Arles), waar Constantijn lll verblijf hield. 

Honorius stuurde zijn oppergeneraal Flavius Constantius uit Illyrië die vervolgens de stad innam, maar weigerde zich te onderwerpen aan Constantijn lll en liet in plaats hiervan de onbekwame ex-keizer en zijn rivaal terechtstellen (411). Constantius riep zich vervolgens uit  tot Constatius lll (411-421) caesar van het Imperium Galliarum (Brittannia, Gallië en Spanje). Na zijn terugkeer in Italië verdreef Constantius met succes de Visigoten naar Zuid-Gallië (412).

Intussen had Flavius Jovinus zich uitgeroepen tot  keizer en kreeg daarbij de steun van de Franken, Bourgondiërs en Alamannen. Nadat Constantius en Honorius korte metten met Jovinus hadden gemaakt kregen de Bourgondiërs van hen toestemming om in Gallië een eigen koninkrijk te stichten en bondgenoten (foederati) te worden van het Romeinse rijk.  

Rechts: Flavius Constantius

Uit arren moede erkende Honorius de Bourgondiërs van Gundahar (411 - 436) maar als foederati (bondgenoten) van het Romeinse rijk in 413.Tot 436 hielpen zij inderdaad de grens (de rivier de Rijn) te verdedigen.

Om een slavenopstand in West-Gallië te onderdrukken had de West-Romeinse generaal Aetius een Hunnenhorde binnengehaald en op zijn bevel brachten de Hunnen in 436 een zware nederlaag toe aan de Bourgondiërs, die zich op gevaarlijke wijze uitbreidden langs de westelijke oever van de Rijn. Ook droeg Aetius de Hunnenruiters op om zijn speciale vijanden, de Visigoten te bewerken. De Gallo-Romeinen vonden de remedie misschien erger dan de kwaal, maar Aetius volhardde bij de prettige zakenrelatie met de Hunnenvorst Attila.

 

De Hunnen brachten de Bourgondiërs in 436 een gevoelige nederlaag toe en doodden hun leider Gundahar en diens hele familie waaronder zijn zoons Gonthier (Günther), Gundomar, Gebicca en Gisleheir. Over die vreselijke strijd waarin het Bourgondische volk nagenoeg ten onder ging, verhaalt het beroemde Nibelungenlied

 

Bourgondië

Gebicca eind 4e eeuw - ca. 407
Gundahar / Gundikar / Gondikar / Gundicar / Gondicaire 411 of later  - 436
Gonthier (Günther), Gebicca, Gundomar (Godomar) l en Gisleheir (Geislehar) 436

Het vroegere woongebied van de Bourgondiërs werd in bezit genomen door de Franken. Aetius wees de Bourgondiërs die de zware nederlaag hadden overleefd in 443 nieuwe woonplaatsen toe in het Rhônegebied in Gallië (de streek rond Genève in Savoye, toen Sapaudië geheten). De naam van hun rijk leeft nog voort in de streek Bourgondië. Gundahar was intussen opgevolgd door zijn twee kleinzoons Gundioc (Gondioc, Gundowech) en Chilperic l, beiden waren zoons van Gonthier (Günther).

Bourgondië (437 - 532)

laatst bijgewerkt: 16-12-07

colofon