3705 |
Hunnen (Hunni) (400 - 451) |
![]() |
Vanuit hun nieuwe machtsgebied breidden Zwarte Hunnen hun heerschappij zich gestadig uit, zodat zij tenslotte heer en meester waren over een enorm gebied dat reikte van de Kaukasus tot aan de Rijn, van de Donau tot Noord-Duitsland en Polen, van de Baltische tot de Kaspische Zee. Omstreeks 420 echter was er een Hunse Bond gesticht. Die bond werd verrijkt door plunderingen en giften. De giften waren van de Romeinen in ruil voor huurlingen. In 423 kwam er een Romeins officier in Hongarije aan. Zijn naam was |
![]() |
De Hunnenkoning ![]() ![]() ![]() ![]() In 434 overleed Roea. Hij werd opgevolgd door zijn neven Attila en Bleda, beide zonen van zijn broer Mundzuk, die samen regeerden over het Hunnenrijk. Bij onderhandelingen in Margus (Požarevac, Oost-Servië) kwamen zij met keizer Theodosius ll tot een akkoord over de terugkeer van enkele afvallige stammen die binnen het Oost-Romeinse rijk toevlucht hadden gevonden. Theodosius kon hen goed gebruiken ter verdediging tegen de Vandalen. De keizer stemde niet alleen in met de terugkeer van deze stammen, maar ook in de verdubbeling van hun tribuut tot 350 Romeinse pond goud (114,5 kg), hun markten open te stellen voor Hunse kooplieden en een losgeld te betalen van 8 solidi (goudstukken) voor iedere door de Hunnen gemaakte krijgsgevangene. Tevreden keerden Attila en Bleda huiswaarts en Theodosius maakte van de voorlopige rust gebruik om de stadsmuren van Constantinopel en de Donaugrens te versterken. Vijf jaar bleven de Hunnen voor de Oost-Romeinen buiten zicht. Deze probeerden een inval te doen in het Perzische Rijk, maar werden in Armenië door een nederlaag gedwongen terug te keren naar hun thuisbasis op de Hongaarse vlakte. In 440 verschenen zij weer aan de grenzen van het Romeinse rijk en overvielen zij de handelaren op de markt die volgens het verdrag gehouden werd op de noordelijke oever van de Donau. Attila en Bleda dreigden met een oorlog omdat de Romeinen het verdrag niet waren nagekomen en dat de bisschop van Margus de Donau was overgestoken en de koninklijke graftomben van de Hunnen op de noordelijke oever had ontheiligd en geplunderd. De Hunnen staken de Donau over en verwoesttem enkele Illyrische steden en forten, waaronder het Romeinse legerkamp Viminacium in de provincie Moesia Superior (nu Servië). Theodosius had zijn troepen die hij aan de Donau gelegerd had voor een deel ingezet tegen de Vandalen, nadat deze in 440 Carthago hadden ingenomen en tegen de Sassaniden die in 441 onder Yazdegerd ll Armenië waren binnengevallen. Door de nu zwakkere verdediging aan de Donaugrens konden de Hunnen via Illyrië de Balkan binnenvallen en de steden Margus, Viminacium, Singidunum (nu Belgrado) en Sirmium werden ingenomen en geplunderd. Daarna maakten de Hunnen even pas op de plaats, waarvan Theodosius gebruik maakte om zijn troepen uit Noord-Afrika terug te roepen en een grote hoeveelheid nieuwe munten te laten slaan om zijn campagne tegen de Hunnen te kunnen financieren. Na deze voorbereidingen durfde hij het aan de door de Hunnen gestelde eisen af te wijzen. Attila and Bleda antwoordden hierop door een nieuwe campagne in 443, waarbij zij de Donau afstroopten, de militaire versterking Ratiana overvielen en Naissus (nu Niš) met succes belegerden met stormrammen en rijdende torens Daarna zakten zij via de rivier Nisava af naar Serdica (Sofia). Na de verovering van deze stad namen zij de steden Philippolis (Plovdiv) en Arcadiopolis (Luleburgaz). Zij versloegen de Romeinse versterkingen die buiten de stad Constantinopel gelegerd waren, maar konden niet verder oprukken omdat zij niet over de juiste belegeringswerktuigen beschikten om de massieve zeven meter dikke stadswallen van Constantinopel aan te kunnen vallen. Theodosius vreesde dat de stad weldra zou vallen en stuurde zijn consul en diplomaat Anatolius om met de Hunnen te onderhandelen over een vredesovereenkomst. De eisen die de Hunnen stelden waren nu veel harder dan in eerdere verdragen waren overeengekomen: 6000 Romeinse pond (bijna 2000 kg) goud als straf voor het niet nakomen van eerdere toezeggingen. De jaarlijkse tribbut werd verdrievoudigd tot 2100 Romeinse pond (ca. 687 kg) goud en een borgtocht van 12 solidi voor iedere Romeinse krijgsgevangene. Nadat de keizer akkkoord was gegaan met deze eisen, trokken de Hunnen zich terug. In 445 stierf Bleda. Er wordt gezegd dat Attila zijn oudere broer tijdens de jacht heeft vermoord, hoewel er ook een theorie bestaat dat Bleda heeft geprobeerd Attila tijdens deze jacht te doden en dat de veel beter getrainde Attila in de daarop volgende strijd heeft gedood. In 445 werd |
Volkse verhalen vertellen dat Attila zijn positie versterkte door een oud, verroest zwaard op te delven en het om te dopen tot het 'Zwaard van Mars'. Het rijk dat hij erfde, werd gebouwd op en onderhouden door roven. Zonder een aanhoudende stroom van plunderingen en het eisen van tol kon het niet overleven. Attila begon zijn loopbaan door van keizer Theodosius II, een verdubbeling te eisen van de schatting welke Roea hem in 432 had afgedwongen. De weigering van de keizer beantwoordde Attila met een inval in het rijk. Zo kwam het dat de god van de Oorlog een onmiddellijke invasie van Oost-Europa beval dat sterk verzwakt was door een reeks van rampen zoals aardbevingen, hongersnood en de pest.
Het West-Romeinse rijk werd toen officieel geregeerd door de zwakke keizer Rechts: Fantasietekening van Atilla door Fredrik Sander (1893, Swedish edition of the Poetic Edda |
![]() |
![]() |
Ondanks de wapenstilstand viel Attila het Byzantijnse Rijk in 447 opnieuw binnen onder het voorwendsel dat de Byzantijnen een van de afspraken zouden hadden gebroken, namelijk het herbergen van vluchtelingen uit het gebied van de Hunnen. Ditmaal vernietigden de legers van Attila het overgrote deel van het Balkan-schiereiland. Drie jaar werd hierna onderhandeld over een vredesverdrag. Uiteindelijk werd de schatplicht verhoogd en kregen de Hunnen een strook land ten zuiden van de Donau in handen. |
Tussen 447 en 450 leefden Attila's mannen van de buit en het belastingsgeld van het Oost-Romeinse rijk. Attila's overwinningen in die tijd hadden eerder te maken met de wanhoop van de Romeinen dan met ook maar enige militaire verhevenheid van de invallers. De Hunnen vochten als boogschutters te paard. Zij werden echter versterkt door de zware cavalerie van hun Germaanse onderdanen. In feite was de samenstelling van de tegenover elkaar staande legers opvallend gelijkaardig, met een groot aantal Germanen en zelfs Hunnen aan beide kanten! Het Romeinse leger was in die tijd niet meer dan een verzameling van geallieerde of huurlingenstammen, waaronder zich nauwelijks een Italiaan bevond. Onder: "Het feestmaal van Attila" van Mór Than (Wikipedia) |
![]() |
Omdat het Byzantijnse Rijk inmiddels sterk verzwakt was, besloot Attila daarna zijn aandacht te verleggen naar het westen van Europa. De halfzuster Galla Placidia van de Westromaanse keizer ![]() |
![]() Laatst bijgewerkt: 20-09-10 |