3044 Noricum
Keizerrijk Rome (43 v. Chr. - 98 n. Chr.)

In de twee eeuwen voor het begin van onze jaartelling kwam het gebied aan de Donau steeds meer onder invloed van het Romeinse Rijk. In 15 v. Chr. bezetten de Romeinen heel Oostenrijk. Zij maakten de Donau tot noordgrens van hun rijk. Op de plaats van het huidige Wenen bevond zich een oude Keltische kampplaats. De Romeinen bouwden ze om tot een vooruitgeschoven wachtpost aan de rand van het Germaanse rijk en noemden ze Vindobona. De Romeinen namen de plaatselijke zoutwinning over van de Kelten en stichtten de nederzetting Juvavum, dat later Salzburg (de streek van het zout) zou worden. Onder keizer Claudius was het een belangrijke stad van waaruit alle oostwest- en noord-zuidverbindingen - via de Grossglockner naar Venetië en Rome gecontroleerd werden. Juvavum kreeg in het jaar 45 de status van municipium en werd een van de belangrijkste Romeinse steden ten noorden van de Alpen.

Kostbare grondstoffen, waaronder goud, maakte Noricum voor de Romeinen aantrekkelijk. Rond 15 voor Christus bezette keizer Augustus het Keltische Rijk. Het gebied rond Wenen maakte sindsdien deel uit van de Romeinse provincie Pannonia. Dankzij de Romeinen had de bevolking minder te lijden van de Germanen. De Romeinen hanteerden de Donau namelijk als de noordgrens van hun rijk en bouwden daarlangs kazernes, muren en wachttorens. Het Romeinse Wenen, Vindobona genoemd, werd rond 70 na Christus uitgebreid met een garnizoen. De garnizoensstad was verbonden met het toen veel belangrijkere Carnuntum.

Aan het einde van de tweede eeuw werden de Romeinen uit Vindobona en nabijgelegen gebieden verdreven door de Marcomannen. De stad bleek erg kwetsbaar door zijn ligging aan de rand van de Hongaarse vlakte. De Romeinen heroverden het verloren territorium onder Marcus Aurelius (161-180 na Christus). Rond 250 telde de garnizoensstad ongeveer 20.000 inwoners. De Romeinse keizer Probus stond wijnbouw in Pannonia toe in 280 na Christus.

De Romeinse provincie Noricum grensde in het noorden aan de Donau, in het westen aan Raetia en Vindelicia, in het oosten en zuiden aan de provincie Pannonia en Dalmatia. Het gebied komt grofweg overeen met het huidige Noord-Slovenië, Stiermarken, Karinthië en een deel van Oostenrijk, namelijk ten westen van Wenen, Beieren en Salzburg.

De oorspronkelijke bewoners waren de Indo-Europese Illyriërs die, na de grote emigraties van de Kelten uit Gallië, onderworpen waren aan Keltische vorsten. De belangrijkste stam in het gebied was de Taurisci, die waarschijnlijk overeenkomen met wat de Romeinen de Norici noemden, naar hun hoofdstad Noreia (het huidige Neumarkt). 

Het gebied was bergachtig en de grond was niet erg vruchtbaar, maar de regio had een rijke voorraad aan ijzer. Daarom leverden de Norici de grondstoffen voor de wapenaanmaak in Pannonia, Noord-Italië, maar ook in het verder gelegen Moesia. Het staal (Het norische staal) was beroemd om zijn kwaliteit en werd veel gebruikt voor de Romeinse wapenfabrieken. 

 

De bewoners waren dappere en oorlogszuchtige mensen, die meer aandacht besteedden aan veeteelt dan aan landbouw (hun terrein verplichtte hen daartoe). Het duurde nog tot de Romeinen het gebied in bezit namen dat de vruchtbaarheid kunstmatig werd verhoogd, door moerassen droog te leggen en bossen om te kappen. Goud en zout waren ook in grote hoeveelheden aanwezig. Een plant, saliunca genaamd, groeide er rijkelijk en werd door de Romeinen begeerd, die er parfum van maakten.

Noricum was de zuidelijkste voorpost van de noordelijke Kelten en daarom een uitstekende uitvalspost voor de aanvallen op Italië. Daarom is het ook in Noricum dat we bijna alle Keltische stammen terugvinden. Archeologen toonden in het verleden al aan dat er al eeuwen voor de Romeinse beschaving een grootse beschaving aanwezig was. Sporen daarvan zijn vooral te vinden in Hallstatt, op nog geen 40 km van Noreia. De vondsten in de graven daar waren zo belangrijk, dat men de cultuur van de Kelten de Hallstatt-cultuur is gaan noemen. De graven in Hallstatt bevatten wapens en juwelen uit de bronstijd, langs een overgangsperiode naar de volle ontwikkelde ijzertijd. Ridgeway maakte een goede studie over zijn theorie dat de volkeren die in Noricum en de omliggende landen leefden de inspiratiebron zouden geweest zijn van de Homerische Achaeërs.

Lange tijd bleef Noricum onafhankelijk (onder een prins) en bleven de Norici handel drijven met de Romeinen, maar de Romeinen zagen de Donau als natuurlijke grens voor hun rijk. Noricum was dus 'gedoemd' om Romeins te worden. 

In 113 v. Chr. vielen de door een overstroming uit hun woongebied (Sleeswijk-Holstein) verdreven Kimbren (Cimbren) en Teutonen samen met de Ambrones Noricum binnen. De Romeinen deelden hun aanvoerders mee dat er in Italië geen plaats voor hen was en boden gidsen aan die ze naar Zuid-Duitsland zouden begeleiden. Dit was echter een valstrik. De Romeinen vielen de Kimbren aan, maar werden door de Germanen verslagen (de slag bij Noreia). Het Romeinse leger zou volledig vernietigd zijn, als niet een ontzagwekkend onweer was losgebarsten. De Kimbren beëindigden de strijd nu Donar zalf zich ermee ging bemoeien.

De regio komt voor het eerst voor toen ze in 48 v. Chr. de kant koos van Julius Caesar (100 v. Chr.-44 v. Chr.) tijdens de burgeroorlog tegen Pompeius (106 v. Chr.-48 v. Chr.). Daarna verkoos Noricum om samen met Pannonia mee aan te vallen tegen de Romeinen, toen die in 16 v. Chr. Histria binnenvielen. De Norici werden nog in datzelfde jaar verslagen door Publius Silius, proconsul van Illyricum. Vanaf dat jaar was Noricum officieel een provincie, maar in de praktijk bleef het een koninkrijk met de titel Regnum Noricum. De koning stond onder controle van een keizerlijke procurator. Pas tijdens de regering van Marcus Antonius werd legioen II Pia (nadien Italica genoemd) in Noricum geplaatst en was de commandant tevens de gouverneur van Noricum. Rond het jaar 40 was het koninkrijk Noricum volledig in het Romeinse Rijk opgenomen, door keizer Claudius (41.-54 n. Chr.

Romeinse overblijfselen

Romeinse muren en watergangen hebben sporen nagelaten in het moderne Wenen. De omtrek van Vindobona is terug te vinden op de huidige stadsplan. Het wordt gevormd door Tiefer Graben, Naglergasse, Graben, Kramergasse, Rotgasse en Salzgries.

In Wenen zijn zich geen overweldigende Romeinse ruïnes overgebleven. Onder de Hoher Markt zijn nog resten van muren te vinden van de garnizoensplaats, die in de tweede en derde eeuw onderdeel uitmaakten van aan rechte straten gelegen huizen, hoogstwaarschijnlijk officierswoningen. Ook zijn er sporen van vloerverwarming, tegels, stucwerk en dakpannen.  Onder de Michaelerplatz zijn eveneens resten gevonden van de Romeinse legerplaats. Hoogstwaarschijnlijk betrof het een bastion of een gebouw buiten het fort. Op de plaats van Am Hof, het grootste omsloten plein van Wenen, was een Romeins garnizoen gelegerd. Hier zijn enkele Romeinse kanalen zijn te zien.  

Laatst bijgewerkt: 14-10-10

colofon