2516 |
Hallstatt- en La Tène-cultuur (ca. 1000 - ca. 700 v. Chr.) |
![]() |
De bovenlopen van de Donau en Rijn (Noord-Zwitserland en Zuid-Duitsland) en een groot deel van het Alpengebied, werden vanaf ± 1000 v. Chr. bewoond door de Kelten, ook wel Keltoi, Celtae, Galli of Galatae genoemd. De Kelten behoorden tot de groep Indogermaanse volkeren die zich samen met Italiërs in Centraal-Europa hadden gevestigd. De taal der Kelten behoort tot de Indo-Germaanse taalfamilie. Niet, dat het oud-Keltisch ons bekend zou zijn: deze taal is in de loop der eeuwen uitgestorven. Wel zijn er nog spaarzame resten van over in inscripties en geografische namen. Maar deze resten zijn te schaars om daaruit de structuur van het oud-Keltisch te kunnen opmaken. |
![]() |
Eerst bleven hun militaire acties beperkt tot plundertochten bij naburige stammen, maar vanaf ± 1000 v. Chr. begonnen de Kelten zich te verspreiden over Europa. Ca. 900 v. Chr. bereikten zij via het Rijndal het deltagebied van de Rijn en de Maas. Tussen 1846 en 1862 vond men 980 skeletten op een prehistorisch kerkhof aan de oever van het Hallstattmeer in Oostenrijk. In het eerste millennium voor Chr. had een grote, bloeiende nederzetting hier haar doden begraven. De Hallstattcultuur duurde ruwweg geschat tussen ca. 1200 en ca. 500 v. Chr. en overlapte voor een groot deel de Urnenveldperiode. |
![]() |
De periodes Hallstatt A en B (1100-700 v. Chr.) behoren tot de Late Bronstijd. In 8e eeuw drong in deze beschaving voor het eerst in het Europa ten noorden van de Alpen het ijzer door. Halstatt C en D vallen gelijk met de vroegste periode van de Europese IJzertijd. Hallstatt C, de eerste ijzerbewerking, valt in de 7e eeuw en Hallstatt D omvat de zesde en de vijfde eeuw voor Chr. Een belangrijke bron van inkomsten voor de Keltische stammen die zich in dit gebied hadden gevestigd was de zoutwinning. Mijnwerkers trokken er met houweel en schop de bergen in en brachten de zo moeizaam verkregen zoutblokken in leren zakken weer mee terug. Dankzij de zouthandel wisten de Keltische heersers in dit gebied grote rijkdom te vergaren. Ze woonden in vorstelijke burchten en vierden er bruisende feesten. Op deze feesten werd gastvriendschap aan bezoekers verleend en werden er prachtige geschenken uitgewisseld. Barden bezongen de heldendaden van koningen en strijders. Op die feesten werd tevens, onder andere door de grootte van de uitgereikte stukken varkensvlees, iedere krijger zijn plaats op de maatschappelijke ladder gewezen. Daaraan gingen vaak bloedige gevechten vooraf, want de gemoederen raakten op zo'n feest al gauw oververhit door de ontembare drift en de beruchte drankzucht van de Kelten. |
In 1853-1854 werden in La Tène, aan de oever van het meer van Neuchâtel in Zwitserland verdere spectaculaire vondsten gedaan. de prehistorische nederzetting daar borg meer dan 2500 voorwerpen: zwaarden in rijk bewerkte scheden, speren, schilden, allerhande werktuigen, munten etc. | ![]() |
De La Tène-cultuur, die begint in de tweede helft van de 5e eeuw v. Chr. en eindigt met de Romeinse bezetting (1e eeuw v. Chr.), kent een gestileerde, bijna abstracte stijl, waarin plantenmotieven, dieren, monsters en menselijke figuren tot fantasievolle patronen zijn verwerkt.
Laatst bijgewerkt: 17-03-03 |