1227 |
Keltische gebruiksvoorwerpen |
![]() |
De smeedkunst uit deze eerste periode van de Keltische beschaving stond op een zeer hoog niveau. Keltische uitvindingen waren o.a. de ijzeren velg om het houten wiel en de maliënkolder. De Hallstatt-stijl is streng geometrisch, met zigzaglijnen en cirkels. Bijna alle dingen die de Galliërs dagelijks gebruikten, maakten zij van hout: Huizen, gereedschappen, emmers, tafels, stoelen, lepels en kommen en lange drietandige vorken, waarmee ze etenswaren tijdens het koken of braden konden opprikken, keren of uit de pan konden halen. Ervaren ambachtslieden maakten van hout karren. Sommige van deze karren waren zo groot en zo goed gebouwd, dat ze zelfs als woonwagens konden dienstdoen. Ook bouwden zij van hout platte schuiten om de rivieren te bevaren en grote schepen voor op zee. Maar de uitvinding waarover de meeste doorreizende vreemdelingen zich verbaasden, was de manier om gerstebier en andere dranken te bewaren en te vervoeren in grote ronde houten tonnen, gevat in ijzeren duigen. De planken waarvan de Kelten de tonnen maakten, werden rondgebogen nadat ze in water waren geweekt. Dan voegden ze de planken aaneen en werd de ton aan de boven- en onderkant voorzien van twee ronde schijven: de bodem en het deksel. Vervolgens legden me er duigen omheen. De Kelten vlochten ook van wilgetenen manden en goed zittende rieten leunstoelen. |
![]() |
Ca 600 v. Chr. bewerkten de Kelten stammen en pasten die ineen om hechte bouwsels te maken. De dakspanten, die werden vastgemaakt met leren riemen, werden bedekt met een dak van stro en tarwe. De met riet bedekte kegel naast het huis was een bakoven, gedeeltelijk ondergronds gebouwd om hem te isoleren. De Gallische boeren gebruikten vrijwel dezelfde gereedschappen, waarmee boeren nu nog de akkers bewerken: spaden, hakken, snoeischaren en -messen, harken, zeisen en sikkels. De spaden en hakken dienden om de grond om te werken en los te maken voor het zaaien. De grote zeisen, die men met twee handen moest hanteren, werden voor het maaien van het koren gebruikt. Omdat de akkers veelal schuin omlaag afliepen, gebruikten de Kelten echter als het even kon sikkels. Na de oogst werd het koren met dorsvlegels bewerkt en met zeven werden de graankorrels er uit gezeefd. Ze maalden vervolgens het graan tussen twee draaiende steenblokken om meel te verkrijgen. |
De borden, kruiken en kannen waren van aardewerk, vaak versierd met geometrische motieven. Ze maakten ook kaas in zeefvaten, met gaatjes in de bodem en wanden om de wei te laten wegstromen. Elk gezin bewaart de graanoogst in een hoge aarden kruik die tot aan de hals in de grond wordt gegraven. Deze wordt zorgvuldig afgesloten, zodat er geen kevers of knaagdieren bij kunnen, die er korte metten mee zouden maken.
rechts: aardewerk vat in Hallstatt-stijl, versierd met ingesneden en ingedrukte geometrische patronen, gevonden in Duitsland. Het vat heeft een doorsnede van 37,5 cm. Het beroete effect werd verkregen door een laagje grafiet. |
![]() |
![]() |
Links: Keltisch aardewerk, gevonden in Bibracte. |
![]() |
De Kelten gebruikten ook bronzen gereedschappen (sikkels), bronzen sieraden en bronzen wapens (zware slagzwaarden) en beschikten over georganiseerde legers en huursoldaten. Vreemdelingen die door Gallië reisden, keken verbaasd naar de grote ronde houten tonnen, gevat in ijzeren duigen, waarin gerstebier of andere dranken zo goed bewaard bleven. Ze vlochten ook van wilgentenen manden en heerlijk zittende rieten leunstoelen. De Keltische boeren gebruikten koperen ketels om hun voedsel te bereiden. Deze werden boven het vuur opgehangen aan een lange ketting, die aan de zolderbalk werd gehangen. Ze hadden ook roosters en braadpannen die zij pal op de smeulende houtskool neerzetten.
Aanvankelijk gebruikten de Kelten heel eenvoudige middelen om het graan tot meel te malen. Een grote platte steen die in het midden iets was uitgehold, deed dienst als ondergrond. Men legde er het graan op en kneusde dat fijn met een zware rolsteen. Het meel werd op een gevlochten mat of een stuk stof opgevangen. Later maalden de Kelten het koren in handmolens. Deze bestonden uit een stenen onderplaat en een met een handslinger aangedreven stenen schijf die op de onderplaat rustte. Tussen de bovenste stenen schijf en de onderplaat zat een klein beetje ruimte, waar het graan werd gemalen doordat de bovenste steen over de onderplaat schuurde. Het graan werd boven in de molen gedaan en het meel liep er onderaan uit. Er werd brood van gebakken. Dat vormde de grondslag van het Gallische voedsel. Graankorrels werden ook wel geroosterd boven het vuur. links: Een schild, gevonden in Zuid-Engeland van bijna 80 cm hoog van gesmeed brons, versierd met ingelegde schijven van rood glas. Het werd waarschijnlijk ceremonieel gebruikt en niet in de werkelijke strijd. |
laatst bijgewerkt: 09-2-03 |