2560 |
Keltische versterkte heuvelforten (oppida) |
![]() |
In heel Gallië bouwden de Galliërs, zoals de Kelten die zich in dit gebied gevestigd hadden genoemd worden, versterkte steden (oppida) en verdedigingsforten, meestal op een heuvel, voor het legeren van garnizoenen en als tijdelijk toevluchtsoord. Zo'n verdedigingsfort bestond uit een aarden wal, versterkt met een vlechtwerk van balken, omringd door een brede gracht. Brede houten poorten gaven toegang tot het fort. Tussen de huizen lagen stukken akker- en weideland. |
Op den duur werden de heuvelforten permanente woonplaatsen en sommige groeiden uit tot belangrijke handelsnederzettingen met een bloeiende nijverheid, zoals: Londinium (Londen), Vindobona (Wenen), Lutetia (Parijs), Aquincum (Boedapest), Singidunum (Belgrado), Lugdunum ("Heuvel van het licht": Lyon), Noviomagus (= Nieuwe markt) (Nijmegen), Bibracte, Alesia (Autun), Avaricum, Gergovia. Veel namen van Franse steden zijn van Gallische oorsprong: namen van steden die eindigen op -euil bijvoorbeeld. Het Gallische "ialos" betekent open plek in het bos. Argeteuil betekent dan: zilverkleurige open plek in het bos. Ook plaatsnamen eindigend op dunum = versterkte plaats, vindos = wit, maros = groot, wijzen op een Keltische oorsprong. |
Alle stammen van Gallische oorsprong ontmoetten elkaar hier: Averni uit het Hoogland van Auvergne), de Treviri uit het Moezelgebied), de Carnutes uit het gebied ten noorden van de Loire, maar ook Helvetii, Belgae en Sénones (uit het stroomgebied van de Seine. Zij bleven een paar dagen of deden niets anders dan de grote stad doorkruisen. De grote houten platboomde schuiten, waarmee de handelaren de rivieren bevoeren, hadden geen zeilen en geen roeiriemen, alleen maar een roer. Ze werden voortgetrokken door mannen lijfeigenen die langs de oevers liepen. Voeren de schepen stroomafwaarts, dus naar zee, dan ging het gemakkelijk, maar moest men tegen de stroom optornen dan was het bijna ondoenlijk zwaar werk. De stad lag op een hoogvlakte en was omringd met vestingwallen van steen, met boomstammen ertussenin gevoegd. Daardoor konden zij de schokken opvangen van grote brokken steen, die bij een vijandelijke aanval op de muren werden weggeslingerd. Bibracte was goed beschermd en kon weerstand bieden aan iedere vijand die het waagde de stad te belegeren. De stad was een belangrijke marktplaats waar ambachtslieden, handelaren en boeren uit de omgeving hun producten verkochten: gekleurde stoffen, sieraden, ploegscharen, in ijzer gevatte stempels, zout afkomstig uit de zoutpannen van de Atlantische Oceaan. Rijke Kelten konden er ook koperen voorwerpen en zelfs ook lijfeigenen in de vorm van krijgsgevangenen kopen, over wier dood of leven zij dan vrij konden beschikken. |
De huizen in de stad waren, net als in andere Gallische steden niet dicht tegen elkaar aan gebouwd. In Griekenland en Italië was dat wel zo. Tussen de woningen lagen grote stukken grond waarop gewassen konden worden verbouwd of weidegrond voor het vee. De mooie huizen van de edelen en ook de godentempels lagen in het midden van de stad. De werkplaatsen van de ambachtslieden lagen in aparte wijken, zoals de bronsgieterswijk, de smedenwijk en de leerlooierswijk. In de wijk van de lakenkoopliedden kon men volders en lakenververs aan het werk zien.
rechts: Heuneburg |
![]() |
laatst bijgewerkt: 15-02-03 |