2578 Aedui (Haedui) - Bibracte - Augustodonum

De Gallische Aedui (Haedui) bewoonden een deel van in het huidige Bourgondië. Hun koning Dumnorix was een man veel macht en aanzien. Hij stond op zeer goede voet met Orgetorix, de leider van de Helvetiërs, trouwde met zijn dochter  en beraamde met hem een plan om de Helvetiërs naar het westen van Gallië te migreren. Kort nadat aan het licht was gekomen dat Orgetorix een coup wilde plegen overleed hij (61 v. Chr.). Het migratieplan was echter niet van de baan. Op weg naar Gallië kregen de Helvetiërs van Julius Caesar echter geen toestemming door Gallia Transalpina te trekken. Dumorix wist de Sequani er toe te bewegen de Helvetiërs vrije doorgang te verlenen. Op het moment dat de Helvetiërs de Saone wilden oversteken, waren de Aedui echter Romeinse bondgenoten geworden en stond Dumnorix tegenover zijn vroegere bondgenoten. In de slag bij Arar versloeg Julius Casar een deel van de Helvetiërs, waarna de Helvetiërs vergeefs onderhandelingen voerde. Desondanks werd de migratie voortgezet. Een dag na de mislukte onderhandelingen streden Dumnorix en zijn ruiters die in de Romeinse voorhoede streden, door de Helvetiërs uiteengedreven. De volgende vijftien dagen achtervolgden de Romeinen de Helvetiërs die al spoedig werden afgesneden van hun voedselbevoorradingen en geheel op de hulp van de Auduers waren aan gewezen. Dumnorix zorgde ervoor dat geen goederen de Romeinen kon bereiken, maar zijn plan werd verijdeld. Julius Caesar wilde hem straffen voor zijn verraad maar Divitiacus wist Julius Caesar over te halen zijn broer te vergeven. Dumnorix mocht zijn positie behouden, maar werd voortaan wel nauwlettend in de gaten gehouden. Ondanks zijn vijandige houding tegenover de Romeinen bleef Dumnorix een machtig man. Hij was populair, rijk stond aan het hoofd van een groot cavalerieleger. Hij huwelijkte zijn moeder uit aan een belangrijke man van de Biruriges en zijn zusters en halfzusters aan andere stamleiders, waardoor hij over veel Gallische stammen grote invloed kreeg. Hij haatte de Romeinen omdat zij sinds hun inval in Gallië zijn macht hadden beperkt en die van zijn oudere broer Divitiacus hadden vergroot. Caesar verklaarde ook dat Dumnorix geloofde dat de Aedui beter af waren onder de Helvetiërs dan onder Romeinen.

In 54 v. Chr. maakte Julius zich klaar om over te steken naar Britannia en besloot het grootste deel van de Gallische aristrocratie mee te nemen op zijn veldtocht om er voor te zorgen dat het tijdens zijn afwezigheid in Gallië rustig zou blijven. Dumnorix voelde er echter niet veel voor om met Julius Caser meer te gaan. Wegens het slechte weer kon de Romeinse vloot niet uitvaren en in die tijd probeerde Dumnorix zijn bevriende Gallische stamleiders op zijn hand te krijgen door te vertellen dat Julius Caesar hen zou laten doden zodra zij in Britannia waren. Echter zonder succes, want het weer verbeterd en Dumnorix nam met zijn ruiterij de vlucht. Hij werd echter achterhaald en gedood toen hij zich verzette tegen zijn gevangenneming. Zijn dood zou de trotse stamhoofden ertoe brengen tegen de Romeinen in opstand te komen.

Zijn oudste broer en opvolger Litaviccus bleef loyaal aan Rome, maar in het voorlaatste jaar van de Gallische oorlog schaarde hij zich toch aan de kant van Vercingetorix en zijn Gallische bondgenoten in hun strijd tegen Julius Caesar, ondanks eerdere steuntoezegging aan de Romeinen. In 58 v. Chr. moesten de Aedui eerst strijd leveren tegen Ariovistus, de leider van de Suebi, die in 61 v.Chr. aan het hoofd van de Sueben, aangevuld met groepen Vandalen, op uitnodiging van Sequani de Rijn was overgestoken en Gallië was binnengevallen.

Ariovistus accepteerde aanvankelijk een nominatie als vriend en bondgenoot van Rome (Rex et amicus populi Romani) en Caesar hoopte daarmee de Suebische koning te hebben afgekocht. Dat bleek echter niet het geval te zijn. Ariovistus beschouwde het door hem veroverde land als zijn eigendom; Caesar beschouwde zijn aanwezigheid in de regio als ongewenst. In 58 v.Chr. kwam het tot een botsing tussen Romeinen en Sueben bij het huidige Besançon. Ariovistus stelde de strijd tegen Caesar voortdurend uit, omdat hij wachtte op versterkingen, maar door een frontale aanval van Caesar op zijn kamp werd Ariovistus gedwongen de strijd aan te gaan. Na een felle strijd werden de Germanen verslagen. Vervolgens vluchtten zij terug over de Rijn. Ariovistus ontsnapte volgens de bronnen door in een bootje de rivier de Rijn over te steken.

In 52 v.Chr. hadden de opstandige Gallische stammen Vercingetorix aangewezen om de gezamenlijke troepenmacht aan te voeren in de strijd tegen de Romeinse bezetters. De volgende winter begon Gaius Julius Caesar er met de redactie van zijn beroemde boek Commentarii de bello Gallico.

De Gallische vestingstad Bibracte (oppidum), de hoofdstad van de machtige stam der Haeduis, wordt geïdentificeerd met het huidige Mont Beuvray in de Franse bergstreek Morvan. De naam Bibracte betekent mogelijk dubbel versterkt. Bibracte, gesticht op een van de toppen van de Haut-Morvan. Het uitgestrekte oppidum werd vermoedelijk in de eerste helft van de 2e eeuw v.Chr. gebouwd, achter een dubbele rij versterkingen (een zogenaamde murus Gallicus) uit hout, steen en aarde. Van de 200 ha ommuurde ruimte waren er slechts 40 ha bebouwd. De rest moest dienen om de gehele boerenbevolking uit de omgeving toe te laten zich achter de wallen terug te trekken als er gevaar dreigde. In de woningen (met door houten palen gestutte aarden muren) woonden mogelijk 10.000 mensen
Bibracte bevond zich op een kruispunt van handelswegen tussen het Keltische deel van Europa en het Middellandse Zeegebied. De ene leidde van het noorden naar de Middellandse Zee, de andere van de Atlantische Oceaan naar de Alpen. Hier kwam je Griekse kooplieden uit Massalia tegen en reizigers die geregeld de havensteden aan de grote oceaan aandeden.

De hoofdstad van de Haedui was een belangrijk politiek, industrieel en religieus centrum.

Links: maquette van de hoofdpoort van Bibracte van Hugo Lienhard

De wetenschappelijke opgravingen op de Mont Beuvray begonnen einde 19e eeuw en werden in 1907 stopgezet. Vanaf 1984 werden ze echter hervat, onder invloed van een toenemende belangstelling voor de Keltische beschaving. Het oude stratennetwerk wordt geleidelijk hersteld, een gedeelte van de oude wallen en een stadspoort zijn gerestaureerd.

Rechts: een stuk muur is het enige wat nog rest van Bibracte.

 
Bij het begin van onze tijdrekening werd Bibracte geleidelijk verlaten door zijn inwoners, die zich in steeds grotere aantallen vestigden in de nieuwe, door Gaius Julius Caesar Octavianus (Augustus) gestichte stad Augustodonum (Augustodunum), de stad van Augustus (het huidige Autun). Maar ook nadat het oppidum door zijn inwoners verlaten was, werd er nog handel gedreven op de Mont Beuvray: tot in de 16e eeuw werden er regelmatig markten gehouden.

Autun dankt zijn naam aan de Romeinse princeps Augustus, die rond het begin van onze jaartelling op de plek van het huidige Autun de stad Augustodonum stichtte. Hij wilde in Gallië een stad stichten die de macht van Rome zou uitdrukken. Daarom kreeg Autun enkele indrukwekkende gebouwen; van sommige ervan zijn vandaag nog de overblijfselen te zien. Autun lag aan de weg tussen Lyon en Boulogne, die zowel voor de handel als in strategisch opzicht belangrijk was. Uit de Romeinse periode bleven enkele stadspoorten en een amfitheater bewaard. Ook is er net buiten de stad een ruïne van een Romeinse tempel (Temple de Janus).

Autun werd snel één van de belangrijkste steden van het Romeinse Gallië. De stad groeide hard dankzij de handel. De strategische ligging aan een belangrijke weg tussen Lyon en Boulogne speelde daarbij een grote rol. Agostodunum stond ook bekend als centrum voor de wetenschap. Autun is één van de weinige steden die in zijn vroege geschiedenis veel groter was als nu. Ten tijde van de Romeinen had de stad zelfs vier maal zoveel inwoners als nu

Rechts: Ruïne van de tempel van Janus

De stadswallen behoren tot de best bewaard gebleven Gallo-Romeinse wallen uit de Romeinse tijd. Destijds waren ze voorzien van zo’n 53 torens. Vier poorten gaven toegang tot de stad. Twee poorten zijn redelijk goed bewaard gebleven, nml. de noordelijke doorgang, de Porte d’Arroux en de oostelijk gelegen Porte St. -André. Beide poorten hebben twee doorgangen voor wagens en twee voor voetgangers. De porte d’Arroux is mooier dankzij de proporties en de elegante bovengalerij die de toegangspoorten bekronen. De pilasters zijn voorzien van Corintische kapitelen. De Porte St. –André is vaak gerestaureerd, onder andere door Violet-Le-Duc. Beide poorten werden geflankeerd door twee torens. Één toren naast de Porte St. -André is bewaard gebleven. Deze toren is in de middeleeuwen verbouwd tot kerk.
Het Romeinse theater is rond 70 na Christus gebouwd. Het is één van de grootste Romeinse theaters. De diameter meet 148 meter! Het kon plaats bieden aan 20.000 personen. De zitplaatsen zijn op een glooiend terrein aangelegd.

Vanaf de derde eeuw na Chr. werd de stad geteisterd door invasies.

Gemaakt: 13-02-08

colofon