2622

Germaanse goden

zie ook: Goden en rituelen bij de Saksische "Friezen"
De Germaanse goden kunnen in drie groepen worden verdeeld: de Asen, de Wanen en de andere goden. In de literatuur worden de goden verdeeld in de “hogere goden” en de “lagere goden”. De hogere goden spelen een rol in de Germaanse mythologie. Rond deze goden ontstond er een gecentraliseerde, waarin priesters een rol speelden. De hogere goden waren ook gebonden aan de elite. De lagere goden hadden te maken met de cultische verering van de krachten van de natuur en vegetatie. De cultus was gedecentraliseerd en direct verbonden aan de leefwereld van het volk. Rotsen, bomen en bronnen speelden een belangrijke rol in de cultus. Van de verschillende godennamen bestaan Westgermaanse en Noordse (Scandinavische) varianten. 

Asen
Het woord Asen werd door de Germanen gebruikt als algemene aanduiding voor ‘god’, wat blijkt uit persoonsnamen zoals Ans-helm (= 'onder Gods bescherming'). In het Oud-Indisch (een Indo-Germaanse taal net als de West-Germaanee talen) betekent asu: leven. Het woord Asen zou daarom kunnen staan voor 'leven of psyche of ziel'. Het woord Asen is in het Fries waarschijnlijk terug te vinden in het woord Eswei. Dit woord komt voor in de sage die het ontstaan van het recht in Friesland beschrijft. Volgens deze sage heeft Karel de Grote de 12 Asegas (recht-zeggers) van de 7 Friese zeelanden naar hun recht gevraagd. Toen de Asegas antwoorden dat ze dat recht niet konden vinden, zette Karel ze op een schip zonder roer. Na stuurloos op zee rond te dobberen verschijnt er, na een gebed, een 13e persoon aan boord. Dit is een god met een gouden bijl. Met deze bijl stuurt hij het schip aan land, laat een bron ontspringen en verkondigt het Friese recht. De plaats waar het schip aan wal komt heet Eswei. Von Richthoven duidt de naam Eswei als zijnde “Asenweg”

Tiwaz / Thiu
Het woord Tîwaz komt overeen met het Oudindische ‘devah’ dat ‘schitterende/lichtende God’ betekent. De Germanen hadden, volgens de Romeinen, een god die overeenkwam met Mars. Met deze god bedoelden ze Tîwaz of Tiu. Bij de muur van Hadrianus in Groot-Brittannië, zijn twee inscripties op geloftestenen gevonden waarop de naam Marti Thingso (Mars Thingsus) voorkomt. De geloftestenen stammen uit de eerste helft van de 3e eeuw na Chr.. Friese huursoldaten (cuneus Frisiorum) in Romeinse dienst hebben hem opgericht De vertaling luidt waarschijnlijk 'Tiu de Dinggod'. Tiu was de beschermheer van het volksberaad (Ding). In het Fries komt de god Tîwaz terug in de weekdag tiisdei of tiwesdei. Naast de naam in de weekdag is van de Friezen uit de vroege middeleeuwen niets over Tîwaz bekend.

 *Tîwaz schijnt bij de Germanen ook onder een andere naam bekend geweest te zijn, te weten Irmin. In Nederland kan de plaatsnaam Ermelo (Irminlo in 855 n.Chr.) op Irmin terug gevoerd worden. De Saksen vereerden de Irminzuil (Irminsûl); een reusachtige boomzuil die met de cultus van Irmin verbonden kan worden. Religieuze voorstellingen die te maken hebben met een zuil, stam, balk of staaf kennen we uit het gehele Germaanse gebied. Uit historische tijd kennen we de stafr (een soort levensboom) uit het Noordgermaanse gebied. Volgens Moerman komt de plaatsnaam Stavoren (Stáveren in het Fries) van staver = paal. Vanwege de hoge ouderdom van de naam (Stavorun, 991 n.Chr.) denkt Jan de Vries aan een religieuze voorstelling van een paal. Een voorstelling die overeenkomt met de cultus van de Oudnoorse stafr. Hebben we in Stavoren met een cultus van Tiu te doen?

Wodan / Odin
De naam Wodan is te verklaren als ‘heer van de woedenden’. Wodan is namelijk leider van een dodenleger, ook wel wôd genaamd. Volgens Tacitus vereerden de Germanen van alle goden Mercurius het meest, en brachten zij hem op vaste dagen mensenoffers. Tacitus bedoelt met deze god Wodan. Wodan was in Friesland bekend onder de naam Wêda. Friesland is samen met Nedersaksen en het Frankische gebied het hoofdgebied van de Wodancultus. De naam van de middelste weekdag was in al deze gebieden namelijk 'Wodansdag'. 

Uit het Oudfries kennen we de namen wensdei en wernsdei voor woensdag.

Geografische namen die met Wodan te maken hebben zijn in Friesland niet met zekerheid aan te wijzen. Bij het plaatsje Warns (in 1486 in het Oudfries aangeduid als Wernse) staat in het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) het volgende vermeld: "Het (Warns) moet, volgens sommigen, zijnen naam ontleend hebben aan Mercurius, welke bij de oude Friezen onder den naam van Warns zoude vereerd zijn".(Wodan wordt zowel door de Romeinen als in middeleeuwse bronnen  aangeduid als Mercurius). Gysseling herleidt Warns echter van *Wardas lauh. Dit betekent; 'het bos van Ward'. In een hoofdstukindeling van een verloren gegaan boek, het 'Indiculus Superstitionem', dat in het kloostercodex van Mainz (9e eeuw) zit, komen we ook weer Mercurius/Wodan tegen. Er staat namelijk dat er heiligdommen en feesten voor Wodan en Donar waren. Blok vermoedt dat de christenprediker Liudger de auteur van het document is. Liudger Thiadgrimszoon (742-809) was een Fries. Het is dus heel goed mogelijk dat de inhoud van het document ook over Friesland gaat.

Donar / Thor
De naam Donar wordt verklaard als zijnde ‘de donderaar’. Donar heeft dus met het natuurverschijnsel de donder te maken. In de Romeinse geschriften wordt Donar eerst aangeduid als Hercules en later als Jupiter/Jovis.In het Oudfries wordt de donderdag aangeduid als thunresdei of thunersdei. Donar heet zowel bij de Friezen als bij de Saksen Thuner. In het Indiculus Superstitionem, dat in het kloostercodex van Mainz uit de 9e eeuw zit, komen we Jovis weer tegen. Er staat geschreven dat er heiligdommen en feesten voor Wodan (Mercurii) en Donar (Jovis) waren. Zoals we eerder lazen vermoedt Blok dat de Friese christenprediker Liudger de auteur van het document is. In Friesland zijn in grafvelden obeliskvormige hangers als bijgave aangetroffen. Deze hangers, soms versierd met puntcirkels, worden ‘Donar-amuletten’ genoemd. 

Ze zijn gemaakt van gewei of van ivoor en soms groen gekleurd. Er zijn bronzen en zilveren knotsvormige hangertjes uit de Romeinse tijd gevonden, waarop het opschrift DEO HER(CULI) voorkomt. Door vormovereenkomst met deze 'Romeinse' hangertjes, schrijft men de benen hangertjes uit onze streken aan Donar toe.

Frija / Frigg
De naam Frîja is verwant aan het Oudindische woord priya, dat ‘geliefde’ betekent. In de Romeinse geschriften ontbreekt een verwijzing naar Frîja. Uit de vertaling van het Latijnse woord voor vrijdag ‘dies Veneris’ weten we dat Frîja gelijkgesteld werd aan Venus. In het Oudfries wordt vrijdag aangeduid als frigendei.

Forsite / Forseseti
De woordverklaring van Fosite zou ‘Voorzitter’ kunnen zijn. Hij wordt gezien als een beschermer van recht en wet. In het middeleeuwse geschrift de ‘Vita Sancti Willebrordi’ wordt verteld over de reis die de zendeling Willibrord aan het eind van de 8e eeuw naar een eiland maakt dat op de grens van Denemarken en Friesland ligt. Fositesland zoals dat eiland heette, werd vernoemd naar de god Fosite. Dit eiland was waarschijnlijk het huidige Helgoland.

In de sage die het ontstaan van het recht in Friesland beschrijft komt misschien ook de god Fosite voor. Volgens deze sage heeft Karel de Grote de 12 Asegas (recht-zeggers) van de 7 Friese zeelanden naar hun recht gevraagd. Toen ze antwoorden dat ze dat recht niet vinden konden, zette Karel ze op een schip zonder roer. Na stuurloos op zee rond te dobberen verschijnt er, na een gebed, een 13e persoon aan boord. Dit is een god met een gouden bijl.Deze god verkondigt het Friese recht aan de Asegas. Von Richthofen zag in deze god Fosite. Volgens Jan de Vries is dit slechts een hypothese. De overeenkomst in naam tussen de Friese god Fosite en de Noorse god Forseti is groot. Volgens Jan de Vries kunnen we uit deze overeenkomst concluderen dat er, zo rond het jaar 700, dusdanig culturele betrekkingen waren tussen Friesland en Zuid-Noorwegen, dat de kult van Fosite zich noordwaarts (rond de Oslofjord) verbreid heeft.

Wanen (vruchtbaarheidsgoden)
De naam Wanen is misschien verwant met het Duitse woord ‘Wonne’, wat zaligheid, genot of verrukking betekent.Van de Scandinavische naam ‘Wanen’ ontbreekt in Friesland ieder spoor.

Nerthus / Njörd
De naam Nerthus stemt overeen met Njörd, en de betekenis is misschien af te leiden van ‘ner’, een Indo-europees woord voor beneden. Dit beneden zou weer kunnen wijzen op de onderwereld. Volgens Tacitus werd door de bewoners van de Noordzeekust een "moeder aarde" godin vereerd. Volgens hem heette deze godin Nerthus (Nerþuz). Hedendaagse mythologen hebben uit vergelijkingen met de latere Scandinavische godsdienst kunnen afleiden dat Nerthus een tweeling broer had die ook Nerthus heette. De Scandinaviërs kenden hetzelfde godenpaar Njord en zijn zus. Er zijn uit het Middeleeuwse Friesland geen overleveringen van Nerthus.

Frô of Inguz en Freyr en Freya
Frô betekent ‘heer’. Freyja betekent ‘vrouw’. Tacitus deelt in zijn Germania mee dat een stammengroep ,de Ingaevones, de nakomelingen van de god Mannus zijn. Deze Ingaevones (Ingwaeonen) woonden langs de Noordzeekust. Uit het woord Ingwaeonen kunnen we afleiden dat deze groep een goddelijke voorvader had die Ingwaz* heette. In 1914 werd in Wijnaldum een stuk van een gewei gevonden met daarop de runeninscriptie ??zinguzngz (de eerste twee runen zijn door verwering niet meer te lezen). Volgens Sipma komt in deze runenrij drie keer de naam van de God Inguz terug.

In een ver verleden bliezen de Germaanse voorouders van de huidige Drenten en de omliggende gebieden op hoorns van oerossen en daaruit gefokte koeien. Dit gebeurde bij de jacht, om hun kudden te hoeden, om de bevolking bij elkaar te roepen (denk aan de Drentse boerhoorn!) en in de midwintertijd tijdens het Midwinterfeest (Joelfeest).

Sommigen vertelden over de jachthonden die de Wilde Jacht vergezelden, maar oorspronkelijk waren dit twee wolven. De raven en de wolven waren ook de beesten van het slagveld. Na afloop van de strijd ruimden ze de gevallenen op. Deze stoet van wezens, geesten en demonen, werd tijdens de Wilde Jacht vooraf gegaan door een grote hoorn blazende uil. De uil zou zich steeds laten horen als er weer iemand zou moeten sterven, zo werd er verteld.

Men herkende de Wilde Jacht, Wilde Heir, of hoe men dit plaatselijk ook mocht noemen, als de aarde geteisterd werd door een joelende storm, want Wodan was ook de stormgod en in de storm hoorde men een op een hoorn gelijkend geluid. Om Wodan en de geesten van de doden te laten vertrekken, voordat ze de wereld van de levenden zouden schaden, en om te zorgen dat het licht zou winnen van het donker - per slot van rekening werden de dagen voordien al maar langer - werd op hoorns geblazen. Er werden signalen op geblazen en er werd een geluid als van een joelende storm op voortgebracht, zodat de indruk werd gewekt dat de aarde al bezet was door een ander, nog machtiger leger, waarvoor de geesten zouden wijken. Dit stormen en hoornblazen, de eerste vorm van blazen rond de latere kerstdagen in het toenmalige Drenthe, was in feite een zeer moedige daad. Men verzette zich tegen de Germaanse demonen- en godenwereld, en tegen het uitzichtloze, eeuwige overgeleverd zijn aan de met mensen sollende bovennatuurlijke krachten van hun religie. Het blazen werd door de kerken verboden, toen het Christendom werd ingevoerd.

laatst bijgewerkt: 26-03-03

colofon