2932

Oostelijke provincies (364 - 379 n. Chr.)
Valens Augustus van het Oosten (364-378)

Romeinse Rijk (353 - 361 n. Chr.); zie ook: Westelijke Provincies (361 - 400 n. Chr.)

Valentianus, die in 364, een jaar na de dood van keizer Julianus, was uitgeroepen tot keizer, benoemde zijn broer Valens tot medekeizer voor de oostelijke helft van het Romeinse Rijk. Zelf bestuurde hij het westen. Valens had, in tegenstelling tot zijn broer geen grote succesvolle militaire carrière achter de rug. Pas sinds 360 was hij in krijgsdienst geweest.

Valens wilde de provincies en steden Nisibis, Singara en Castra ten oosten van de Tigris die tijdens het bewind van zijn voorganger verloren waren gegaan aan de Perzen weer herwinnen, maar opstanden in het oosten weerhielden hem van zijn voorgenomen plan. Eén van deze opstanden was die onder leiding van Procopius, een verwant van Julianus, die de troon voor zich opeiste. Hij beweerde ook de nakomeling te zijn van de nog steeds zeer populaire keizer Constantijn de Grote en wist daarom veel soldaten te overreden te deserteren. In 366 slaagde Valens erin de opstand van Procopius neer te slaan en zijn hoofd naar zijn broer Valentianus te zenden.

rechts: Valens

Athanarik, de vorst van de Tervingi (Visigoten), was van plan een aanval te doen op het gebied van Valens' territorium, maar nu Procopius was verslagen, besloot hij met de Romeinse keizer vrede te sluiten (369). Valens wilde de Goten niettemin toch aanvallen, maar moest daarvan afzien, eerst doordat de Goten op de vlucht waren geslagen en het jaar daarop door een grote overstroming. 

Nadat rond 375 de Hunnen de Ostrogoten Visigoten en Alanen uit het gebied tussen de Kaspische Zee naar de Hongaarse laagvlakte waren verdreven, kwam het tot een burgeroorlog tussen de regerende koning Athanarik en Fritigern. De laatste wilde een bondgenoot met keizer Valens en toonde zich zelfs bereid te bekeren tot het (Arianische) christendom. 
De anti-christelijke Athanarik lijkt te hebben gewonnen, want hij is het die de Tervingi leidde in de strijd tegen de Hunnen.
Zijn pogingen om de Hunnen tegen te houden mislukten echter, waarop Fritigern voorstelde om asiel te vragen in het Romeinse Rijk. 

Athanarik wilde dit niet en trok zich met een aantal strijders terug naar Transsylvanië. Het grootste deel van de Visigoten trok echter in 376 met Alavivus en Fritigern naar de evers van de Donau en verzochten de Romeinse machthebbers om toegelaten te worden in de Romeinse wereld en zich te mogen vestigen in Thracië (lees. verder: Oost-Europa).

Valens gaf hen die toestemming, maar de mogelijkheid om de Donau over te trekken met een hele stam tegelijk waren klein. Valens had kennelijk de bedoeling de Visigoten in detachementen op te splitsen, in zijn oostelijke leger op te nemen en rest Thracië als woonoord toe te wijzen. Valens was nog steeds vast van plan tegen de Visigoten ten strijde te trekken, ook omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn troepen dat van de Goten en hun bondgenoten in aantal overtrof.  

Ook hadden de Goten gebrek aan voedsel, en de lokale Romeinse hoogwaardigheidsbekleders sloegen hieruit munt door de Goten het voedsel duur te verkopen. Ze werden zelfs gedwongen hun eigen kinderen als slaven te verkopen tegen laagwaardig voedsel. Het meest verachtelijke voedsel werd verkocht aan een buitensporige prijs en de markten waren gevuld met het vlees van honden of vuile dieren, die aan ziekte waren gestorven." (Edward Gibbon: 'Decline and Fall of the Roman Empire') De Romeinse commandant Lupicinus nodigde de Gotische leiders uit voor een feestelijke maaltijd, maar liet vervolgens een aantal van zijn gasten doden. Alavivus bleef waarschijnlijk achter als gijzelaar, maar Fritigern wist te ontsnappen en werd leider van de Goten die vanaf nu in openlijke oorlog met de Romeinen waren.

In een veldslag (377) werden Lupicinus en zijn troepen door Fritigern, die nu leider was geworden van de Visigoten, verslagen. De Thracische provinciale verdediging was vernietigd. Al eerder waren ook andere groepen, die de Romeinen eerst niet hadden willen toelaten (Greutingi (Ostrogoten en de met de Goten verbonden Taifali (een zeer krijgslustige stam, behorend tot de Oost-Germaanse Vandalen) de Donau overgestoken. Zij hadden sloten zich bij Fritigern aan, evenals een deel van de reeds in Moesia (Bulgarije) gevestigde Goten (grotendeels vluchtelingen voor christenvervolgingen), barbaarse slaven, Romeinen uit de lagere klassen en zelfs een volledig door Goten bemand Romeins legeronderdeel. Maar er waren ook Goten die de Romeinen trouw bleven, waaronder Ulfilas. De Goten plunderden Thracië.

Valens zond Trajanus en Profuturus uit om de Goten te bevechten. Vanuit het westen boden Frigeridus en Gallische troepen onder Richomeres ondersteuning. In de 'slag van de Wilgen', werden aan beide zijden grote verliezen geleden en was er geen duidelijke winnaar. De Goten bleven hierna een week lang in hun omheining van wagens, de Romeinen trokken zich terug naar Marcianopolis, maar zorgden er wel voor dat de voedselvoorraden naar de (voor de Goten onbereikbare) steden werden verplaatst en de passen over het Balkangebergte werden afgesloten.

Fritigern slaagde erin, waarschijnlijk door beloften van buit, Hunnen en Alanen aan zijn troepen toe te voegen, en de Romeinen moesten hun blokkade van de Balkanpassen opgeven. Hiermee mislukte hun strategie de Goten in de driehoek Donau-Balkan-Zwarte Zee uit te hongeren en de Goten zwermden uit over geheel Thracia. Frigeridus trachtte ze tegen te houden, maar werd door de Goten omsingeld en trok terug naar het westen. Daar streed hij een slag tegen de Taifali, die daarna vreedzaam in Italië werden geplaatst.

Het was nu wel duidelijk dat de Gotische dreiging groot was en Valens trok nu zelf naar Thracië met een grote legermacht. Fritigern deed hem een vredesaanbod: De Goten zouden als foederati van de Romeinen Thracië krijgen, en zich daar als onderdanen van de Romeinen vestigen. Op 9 augustus 378, terwijl onderhandelingen nog in voorbereiding waren, raakten Romeinen en Goten slaags in de slag bij Adrianopolis

Valens wilde de Romeinse versterkingen niet afwachten en trok onmiddellijk tegen de Goten ten strijde. De strijd verliep echter desastreus. De Goten en hun bondgenoten bleken toch veruit in de meerderheid te zijn en de Romeinen werden afgeslacht onder de pijlenregens die op hen neerkwamen. Tweederde deel van het Romeinse leger sneuvelde in de strijd en Valens raakte gewond. 

Hij wist te vluchten, maar de boerderij waar hij een veilig heenkomen had gezocht, werd door de Goten in brand gestoken en de keizer kwam om in de vlammenzee. Het was grootste Romeinse nederlaag sinds die tegen de Carthager Hannibal in de slag bij Cannae in 216. v. Chr. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Ammianus, die het gevecht tot in de puntjes en zeer waarheidsgetrouw beschreef, zou slechts eenderde van de Romeinen het gevecht hebben overleefd. 

Daarna raasden de Visigoten door de Balkan en maakten zich meester van al wat zij nodig hadden - en vaak heel wat meer.Tijdens deze onlusten, die twee jaar duurden, trokken horden Ostrogoten de Donau over. Diverse pogingen steden in te nemen (waaronder zelfs een aanval op Constantinopel) mislukten echter jammerlijk. De Romeinen wisten nieuwe troepen op te stellen en in 379 won Modares (zelf een Goot en naar vermeld een verwant van Athanarik) een of een aantal overwinningen op de Goten. De Goten werden uit Thracië verdreven naar zuidelijk Illyrië. De Greuthingi trokken noordwaarts getrokken, en werden door de westelijke keizer Gratianus verslagen in Pannonia (Hongarije).

Uiteindelijk werd op 3 oktober 382 vrede gesloten tussen de Romeinen en de Goten. De Goten mochten zich vestigen in het gebied tussen Donau en Balkan en vormden daar een soort van 'staat binnen de staat'. Ook kregen ze vrijheid van belasting en een jaarlijkse toelage. Daar stond tegenover dat ze verplicht konden worden militaire diensten te leveren. Fritigern wordt op dit moment niet meer genoemd, wat waarschijnlijk betekent dat hij in tussentijd was overleden.

Oostelijke provincies (Theodosius l, 379 - 395)

laatst bijgewerkt: 29-06-07

colofon