3553 |
Oost-Europa (300 - 400 n. Chr.) |
![]() |
Na de derde eeuw volgde een tijdperk van verwarring in het Zuid-Russische land. Obolensky schreef hierover: "De schriftelijke bronnen bieden ons het beeld van een verbijsterende opeenvolging van stammen en volkeren die elkaar om de paar eeuwen in de steppen aflossen en van de kaart vegen." | ![]() |
In het begin van de 4e eeuw werd het noordelijke kustgebied van de Zwarte Zee bewoond door de Ostrogoten. Hun gebied sterkte zich uit naar het westen tot aan de Dnjepr (Oekraïne). De Visigoten bewoonden de vroegere Romeinse provincie Dacië (Zevenbergen in het tegenwoordige Roemenië), van waaruit zij het Romeinse Rijk bedreigden. |
Omstreeks 350 trokken de Hunnen, een Turks-Mongoolse stam van herders die rondtrokken met hun kudden vee, die voordien het Altaj-gebergte bewoond had, naar het westen, in de richting van Europa. Rond 355 raakten zij slaags met de oostelijke Alanen en drongen die naar het zuiden en westen. Rond 370 waren de Hunnen bezig de Ostrogoten te verslaan en korte tijd later hadden ze de Visigoten aan de Dnjepr overvleugeld en bezit genomen van een groot gebied dat zich uitstrekte van de Kaspische Zee tot aan de Hongaarse laagvlakte. In de chaos die erop volgde, stroomden honderdduizenden verdreven Goten en Alanen naar de oevers van de Donau om toegelaten te worden in de Romeinse wereld. |
Omstreeks 376 ontvluchtten de Visigoten hun gebieden, om zich niet te moeten onderwerpen aan de door de Hunnen opgelegde slavernij waaraan hun Ostrogotische broeders leden. Duizenden wanhopige vluchtelingen verzamelden zich aan de oevers van de Donau, smekend om bescherming vanwege het Romeinse rijk. z. verder: Oostelijke Provincies (364-395) |
![]() |
laatst gewijzigd: 21-07-02 |