2332

Hoerrieten (Hurri) en Kassieten ca. 2300 - 1200 v. Chr.)

De Hoerrieten (ook wel gespeld als Hurrieten) of Horit, Horim of Hurri (ook wel Khurrieten waren een niet-Semitisch en niet Indo-europees volk dat nauw verwant was aan de Soemeriërs en namen zij gaandeweg de Mitanni-cultuur en taal, die van Indo-Germaanse afkomst waren, over.

Omstreeks 2500 jaar voor onze jaartelling bewoonde dit volk in Oost-Anatolië (Kaukasusgebied), Noord-Mesopotamië en Kanaän. Tussen 2500 - 1800 v. Chr. werden zij uit Oost-Anatolië verdreven door Indo-europese nomadenstammen, waaronder het volk dat later bekend zou worden onder de naam Hittieten, uit de Europees-Aziatische vlakten van Zuid-Rusland. West-Azië (2000 - 1400 v. Chr.)

De Hoerrieten vestigden zich in betrekkelijk kleine, afgelegen gebieden in Noord-Syrië en Boven-Mesopotamië, in het noordwestelijk deel van het Zagrosgebergte. De aanwezigheid van de Amorieten in de vruchtbare vlakte van Mesopotamië verhinderde dat zij in groten getale uit de berggebieden verhuisden. 

Aan de Hoerrieten verwant waren de Urarteëers in Oost-Anatolië en de Kassieten die zich vestigden in het Zagrosgebergte ten zuiden van het huidige Hamadan in Iran. Zij waren daarmee de zuiderburen van de Guti.

Een aantal auteurs denken dat niet de meerderheid der Hoerrieten Indo-Europeanen waren, maar dat zij zich door een Indo-Europese kaste van strijders en koningen lieten leiden. W.F. Saggs (The Greatness that was Babylon, Praeger, New York, 1968) leidt dit onder meer af uit het feit dat de koningen van Mitanni geen Hoerrietische maar Indo-Europese namen droegen en dat bovendien de oude Indiase goden werden vereerd. Volgens archeoloog O.R. Gurney (he Hittites, Penguin, 1952) zou de herkomst van deze halfnomaden Noord-Iran zijn.

Waar de Hoerrieten precies vandaan kwamen is nog steeds een mysterie. Volgens sommige bronnen werden zij te oordelen naar hun namen en die van hun goden door een Indo-Arische kaste (kshattriya), die verantwoordelijk was voor het handhaven van rechtvaardigheid en sociale harmonie, de kaste waartoe de mensen behoren die het land regeren en een hoge militaire positie bekleden.

Hij meldt dat ze zich sinds ca. 2300 v. Chr. geleidelijk naar het zuiden en het westen verspreidden vanuit hun hoofdplaats in de bergstreek ten zuiden van de Kaspische zee (Kaukasus). Uiteindelijk bezetten ze een wijde boog vruchtbaar akkerland die zich uitstrekte van het dal van de Khabur tot de uitlopers van het Zagrosgebergte en stichtten zij gedurende het 2e millennium machtige koninkrijken in de nabijheid van de bovenloop van de Eufraat en de Habur.

Het eerste bekende Hoerritische koninkrijk ontstond aan het eind van het derde millennium v. Chr. rondom de stad Urkesh. Het einde van het Akkadische rijk (± 2230 v. Chr.) stelde de Hoerrieten in staat de controle over het gebied te verwerven. Deze streek was lange tijd het middelpunt geweest van rijke culturen (zie Tell Halaf en Tell Brak). Nu konden de Hoerrieten daarvan profiteren en hun eigen hoogontwikkelde stadstaat organiseren.

De stadstaat Urkesh had echter nog een paar machtige buren. Ergens aan het begin van het tweede millennium v. Chr. werd Urkesh een vazalstaat van het zuidelijker gelegen Amoritische koninkrijk van Mari. In de voortdurende machtsstrijd over Mesopotamië maakte een andere Amoritische dynastie zich in de 18e eeuw v. Chr. meester van Mari: Shamshi-Adad (1810-1771), de koning van Assoer. De hoofdstad van dit Oud-Assyrische koninkrijk, Shubat-Enlil geheten, werd op enige afstand van Urkesh gesticht bij een andere Hoerritische nederzetting in het dal van de Khabur.

In 1792 kreeg Hammoerabi (1792 - 1750) de leiding over het verbond van Amoritische volkeren aan de bovenloop van de Eufraat en Tigris. Nadat hij in 1763 v. Chr. Rimsin (1822-1763), de laatste vorst van Larsa had verslagen, slaagde hij erin alle Amoritische staten aan de bovenloop van de Eufraat en Tigris onder zich te verenigen. Hij kon echter niet voorkomen dat de Hoerrieten eerder kans hadden gezien zich met hun strijdwagens te vestigen in het laagland. Tegen 1725 v. Chr. worden ze aangetroffen in het noorden van Syrië, zoals Alalakh (één van de eerste grote steden in de vruchtbare halvemaan. Het eerste paleis op de citadel van de stad was gebouwd rond 2000 v. Chr., ten tijde van de Derde Dynastie van Ur (2110 - 2006 v. Chr.). 

Na de dood van Hammoerabi (ca. 1750 v. Chr.) slaagde zijn zwakke zoon Samsu-Iluna er niet in de eenheid van het land te bewaren. In Assyrië en Soemerië braken opstanden uit. Enkele jaren na Hammoerabi's dood (1750 v. Chr.) stormden de strijdwagens van de Hoerrieten en Kassieten uit het bergland over de laagvlakte. Daarachter volgden soldaten te voet met speren en bogen en landverhuizers met kudden vee, paarden en knarsende ossenkarren beladen met tenten en huisraad. Ze kwamen niet om oorlogsbuit te veroveren, maar om zich te blijvend te vestigen in het tweestromenland. In een veldslag tegen de Amorieten leden de Kassieten een nederlaag, maar de Kassieten werden niet verdreven en bleven in het gebied ten oosten van de Tigris, waar zij een eigen koninkrijk stichtten. De Hoerrieten bezetten een groot deel van Noord-Syrië tot aan de bovenloop van de Eufraat, van waaruit zij met hun strijdwagens verder oprukten naar Palestina. Niet in georganiseerde veldtochten, maar in doldrieste, langdurige zwerftochten. 

De stad Ugarit viel in Hoerritische handen. In aller ijl vormden de Amorieten een leger en werden er versterkte torens en forten gebouwd om tegen de Hoerritische horden weerstand te bieden. Met op Hoerrieten buitgemaakte strijdwagens en gevangen genomen Hoerritische soldaten stelden de Amorieten een strijdwageneenheid samen. 

Tussen ± 1700 - ± 1650 v. Chr. hadden de Hittieten het land Hatti of Chatti veroverd en daar een eigen staat gesticht. Labarna l breidde de Hittitische hegemonie uit over Zuid-Anatolië tot aan de Middellandse Zee en in het westen tot in het koninkrijk Arzawa. Zijn zoon Labarna ll trok daarna zuid-oostwaarts over het Taurusgebergte en raakte in strijd met de Hoerrieten.  

Het Amoritisch-Hoerritische koninkrijk Yamhad raakte omstreeks 1600 v. Chr. in strijd met de Hittitische koning Hattusili I om de heerschappij over dit gebied. De Hoerrieten vestigden zich ook in de kuststreek van Adaniya in het land van Kizzuwatna. Yamhad bezweek uiteindelijk voor de machtige Hittieten, maar dat opende ook de weg naar Anatolië voor de culturele invloeden van de Hoerrieten. De Hittieten werden gedurende enkele eeuwen daarna beïnvloed door de Hoerritische cultuur.

Na de val van Yamhad zetten de Hittieten hun expansie naar het zuiden voort. Het leger van de Hittitische koning Mursili I (1620 - 1595 v. Chr.) drong door tot Babylon en maakte mogelijk in samenwerking met de Kassieten, de stad Babylon, de meest ontzagwekkende stad van het land van de twee rivieren, met de grond gelijk (1595). De Kassieten namen daarna de macht in Babylonië van de Amoritische heersers over.

Mittanni

Omstreeks 1650 ontstond in Noord-Mesopotamië een Hoerritische staat: Mitanni, dat zich uitstrekte van Kirkuk (het antieke Arrapkha) en het Zagrosgebergte in oosten, over Assyrië tot aan de Middellandse Zee in het westen. Het centrum lag in het gebied langs de Khabur-rivier, waar waarschijnlijk ook de hoofdstad Wassukkani heeft gelegen. De ondergang van het Amoritische koninkrijk in 1595 v. Chr. en dat van Yamhad droeg bij aan de opkomst van dit rijk. De eerste heerser was een legendarische koning, genaamd Kirta. Mitanni groeide geleidelijk vanuit het dal van de Khabur en werd tussen ca. 1450-1350 v. Chr. het machtigste koninkrijk van het Nabije Oosten.

Arrapha
Er was nog een ander Hoerritisch koninkrijk dat profiteerde van de ondergang van de Babylonische grootmacht in de 16e eeuw v. Chr. Er woonden al Hoerrieten in de streek ten noorden van de Tigris, om wat nu de Koerdische stad Kirkuk is. Dit was het koninkrijk (stadsstaat) Arrapha. Opgravingen bij Yorgan Tepe, het oude Nuzi, leverden een van de belangrijkste sites op voor onze kennis over de Hoerrieten. Hoerritische koningen zoals Ithi-Teshup and Ithiya heersten over Arrapha, maar tegen het midden van de 15e eeuw v. Chr. waren ze vazallen geworden van de Grote Koning van Mitanni. Arrapha zelf werd in de 14e eeuw v. Chr. verwoest door de Assyriërs.

Vermoedelijk vormden de Hoerrieten de grootste etnische groep in het gebied, maar toch waren zij in de meeste delen slechts een minderheid onder de bevolking. Een Hoerrietische bevolkingsmeerderheid bestond enkel in de Khaburvallei (nu in Syrië, de rivier Khabur of Habur is een zijrivier van de Eufraat) en Arrapha. Zij hadden zeer nauw contact met de Luwiërs. Tegen het 1e millennium v. Chr. hadden de Hoerrieten zich overal met andere volkeren vermengd, behalve misschien in het koninkrijk van Urartu. De naam Hoerriten zou kunnen zijn afgeleid van het Iraanse woord hara dat 'berg' betekent. De naam Hoerrieten zou dan dus hebben betekend: een volk dat uit de bergen. In het Sanskriet betekent het woord hari 'gouden'. De naam Hoerrieten zou dan de betekenis hebben: "volk dat in het bezit is van  goud'. De taal die de Hoerrieten spraken -  het Hoerritisch, was niet verwant met de Semitische of Indo-Europese talen, maar met het Urartisch en mogelijk verre familie is van de hedendaagse Dagestaanse talen. 

Lees verder: Hurrieten - Wikipedia.

Hoerritische cultuur

De kennis over de Hoerritische cultuur berust op archeologische opgravingen bij plaatsen zoals Nuzi en Alalakh en op spijkerschrifttabletten, vooral die uit Hattusa (Boghazköy), de hoofdstad van de Hittieten, want de Hoerrieten hadden veel invloed op de Hittitische beschaving. Tabletten uit Nuzi, Alalakh en andere steden met een Hoerritische bevolking (wat blijkt uit namen van personen) onthullen ook Hoerritische culturele invloeden, zelfs al zijn ze in het Akkadisch geschreven. Hoerritische rolzegels werden zorgvuldig uitgesneden en bevatten vaak mythologische motieven. Ze vormen een sleutel tot het begrip van de Hoerritische cultuur en geschiedenis.

De Hoerrieten waren uitstekende pottenbakkers. Hun keramiek wordt overal in Mesopotamië en in de landen ten westen van de Eufraat aangetroffen, in het verre Egypte werd het tijdens het Nieuwe Rijk zeer gewaardeerd. Archeologen gebruiken de termen Khabur ware en Nuzi ware voor het op een pottenbakkerswiel gemaakte Hurritische aardewerk. Het wordt gekenmerkt door rode, soms bruine of zwarte geschilderde lijnen in een geometrisch patroon en met stippen. Foto van een Khabur ware kruik  

De Hurrieten waren vermaard om hun metallurgie. Het dal van de Khabur had een centrale rol in de metaalhandel. Koper, zilver en tin was in de door de Hoerrieten overheerste landen Kizzuwatna en Ishuwa iop het Anatolische hoogland te krijgen. Goud moest echter worden geïmporteerd uit Egypte. Er zijn niet veel Hoerritische metalen voorwerpen bewaard gebleven, behalve in het latere Urartu. Bij Urkesh zijn wat kleine fraaie leeuwenfiguurtjes ontdekt.

De Hoerrieten waren uitstekende fokkers van paarden. Mogelijk hebben zij deze ca. 2000 v. Chr. vanuit Cetraal-Azië in het Nabije Oosten geïntroduceerd. De naam van het land Ishuwa, dat waarschijnlijk bewoond werd door een grote Hoerritische bevolkingsgroep, betekende 'paardenland'. 

Tusen de in Ugarit gevonden Hoerritische teksten bevonden zich ook de oudste bekende voorbeelden van bladmuziek, daterend uit ca. 1800 v. Chr. Op de webpagina van Urkesh is een reconstructie van een hymne te horen.

Religie

De Hoerrieten vereerden vele goden: Teshub (Teshup); de machtige weergod (Stormgod). Hepat (Hepa, Hebat); zijn vrouw, was de moedergodin. Zij werd door de Hettieten beschouwd als gelijk aan de zonnegodin Arinna. Andere goden waren Sharruma (Sarumma), de zoon van Teshup en Hera, Kumarbi; de oervader van alle goden. Shaushka, of Shawushka, Šauska; was de Hoerritische tegenhanger van de Assyrische god Ishtar, en een godin van de geneeskunst. Shimegi, Šimegi was de zonnegod en Kushuh, Kušuh; de maangod. Symbolen van de zon en de halve maan verschijnen naast elkaar in de Hurritische iconografie. Ook aanbaden de Hoerrieten de Babylonische god van de onderwereld Nergal. (vgl. de Griekse god Hades) De Hoerritische naam van deze god is onbekend. Hoerritische rolzegels beelden vaak mythologische schepsels af zoals gevleugelde mensen of dieren, draken en andere monsters. De interpretatie van deze afbeeldingen van goden en demonen is onzeker. Misschien waren het zowel beschermende als boosaardige wezens. Hannahannah was een moedergodin en godin van de geboorte. Zij staat mogelijk in relatie met of is beïnvloed qua mythisch symbool door de pre-Soemerische godin Inanna. Hannahannah werd gelijkgesteld met de Hoerritische godin Kubala

Rechts: Teshub

z. ook: De herkomst van de Etrusken

De Hoerritische goden hadden waarschijnlijk geen eigen tempels zoals in de Mesopotamische en Egyptische godsdiensten. Belangrijke centra voor de eredienst waren Kummanni in Kizzuwatna en het Hittitische Yazilikaya. Harran was in elk geval later een religieus centrum voor de maangod en Shauskha had een belangrijke tempel in Ninive toen die stad door de Hoerrieten bestuurd werd. Er is een tempel voor Nergal gebouwd in Urkesh aan het eind van het derde millennium v. Chr. De stad Kahat was een religieus centrum in het koninkrijk Mitanni. Hattusilis l liet in zijn nieuwe hoofdstad Hattusas een tempel ter ere van de god Teshub en Hepat bouwen.

Vanuit het Hoerritische religieuze centrum in Kummanni in Kizzuwatna verspreidde de Hoerritische godsdienst zich onder de Hittitische bevolking. De Oud-Hittitische en Hoerritische religies vermengden zich met elkaar. De Hoerritische religie verspreidde zich ook naar Syrië, waar Baäl de tegenhanger werd van Teshub. In het latere koninkrijk Urartu werden ook de Hoerritische goden vereerd. De Hoeritische religie besloeg in verschillende vormen het hele oude nabije oosten, behalve Egypte en het zuiden van Mesopotamië.

Het einde van de Hoerrieten

Tegen de 13e eeuw v. Chr. waren alle Hoerritische staten overwonnen door andere volken. Het hart van het land van de Hoerrieten, het dal van de Khabur, werd een Assyrische provincie. Het is niet duidelijk wat er aan het eind van de bronstijd met het Hoerritische volk gebeurd is. Volgens sommige onderzoeker woonden de Hoerrieten tijdens het begin van de ijzertijd in het land Subria ten noorden van Assyrië. De Hoerritische bevolking van Syrië schijnt in de volgende eeuwen haar taal te hebben ingeruild voor het Assyrische dialect van Akkadisch, of, waarschijnlijker, Aramees. In ongeveer dezelfde periode schijnt een Urartisch, een taal die lijkt op oud-Hoerritisch, sprekende aristocratie de toenmalige bevolking van de streek rond het Vanmeer te hebebn onderworpen, waarmee het koninkrijk Urartu ontstond. 

(bron: Hurrieten - Wikipedia)

De Tsjetsjenen en Ingoesjeten zijn mogelijk uit de Hoerrieten voortgekomen, al is dit niet aangetoond uit archeologisch onderzoek. Toen Mitanni werd veroverd door de Hittieten in 1335 v. Chr., vluchtte een aantal stammen van de Hoerrieten naar de moeilijk begaanbare Kaukasus en vermengden zich daar met leden van de Kobancultuur. Hieruit zouden de Weinatsjen zijn ontstaan. Uit de vroeg-Weinatische tijd zijn afgodsbeelden en koerganen (grafheuvels uit de Koergancultuur) teruggevonden.

Mitanni (ca. 1650 - 1218 v. Chr.)

Laatst bijgewerkt: 13-05-06

colofon