2284 |
Hammoerabi (1792 - 1750 v. Chr.) |
![]() |
In 1792 kreeg ![]() |
![]() |
![]() Nadat hij een eind had weten te maken aan de binnenlandse oorlogen en plundertochten van deze bergvolkeren, trok hij in 1786 v. Chr. ten strijde tegen de Elamieten en heroverde alle door hen in in de 19e eeuw v. Chr. in het tweestromenland bezette gebieden. In 1763 ondernam hij een veldtocht, waarbij hij Elam en Esjnoennna veroverde. In 1761 viel Larsa in zijn handen. In 1758 trok hij ten strijde tegen zijn vroegere bondgenoot Mari. Twee jaar later (1756) veroverde Hammoerabi Assyrië. Zo stichtte Hammoerabi een machtig wereldrijk. Voor het eerst sinds de koningen van de derde dynastie van Ur (± 2130 -2000 v. Chr., dus 400 jaar eerder), waren alle volkeren van het land van de twee rivieren verenigd onder één heerser. Hammoerabi liet kanalen aanleggen, bouwde een sterk leger op om het land tegen vijanden te verdedigen en stelde ambtenaren aan, die de belastingen moesten innen. Ook stelde Hammoerabi tal van wetten in. In deze steden plaatste hij garnizoenen en liet hij vele nieuwe gebouwen neerzetten. Op de pleinen werden zwarte obelisken opgesteld, waarop in zeer dicht op elkaar geschreven spijkerschrift de nieuwe wetten die Hammoerabi had ingesteld, waren gebeiteld. Vroeger stelden veroveraars over hun veroverde gebieden meestal onderkoningen aan. Vaak was echter gebleken, dat zij op hun onderkoningen weinig konden bouwen. Ook gebeurde het nogal eens dat een vazal tegen zijn eigen koning ten strijde trok. Hammoerabi wilde in zijn rijk alléén de baas zijn. Hij ontsloeg de onderkoningen en verving hen door stadhouders die in zijn naam regeerden en hield zelf de touwtjes strak in handen. Hij gaf persoonlijk de opdracht tot het onderhoud en het herstel van de kanalen. Bij belangrijke rechtszaken had hij het beslissende woord, las alle kleitabletten die zijn ambassadeurs en agenten hem van de landen aan zijn grenzen stuurden. Babylonië werd zo een centraal geregeerd land. De stadhouders hieven alleen belastingen, riepen de mannen op tot de dienstplicht en sloten handelsverdragen. De boeren hadden in die tijd een hard bestaan. De belastingen waren hoog en vaak moesten de boeren ook herendiensten verrichten, zoals het graven van kanalen, het maaien van gras of het aandragen van stenen. Om zaaikoren te kunnen kopen moesten zij vaak een lening sluiten, die na de oogst moest worden terugbetaald in graan. Zo verdween een groot deel van hun inkomsten in de zakken van de rijke bankiers in de steden. Vroeger hadden de Amoritische rijken, behalve hun eigen koning, ook hun eigen beschermgod. Alles binnen de muren van de stad en de naaste omgeving was in bezit van de tempel. Deze trad ook op als bankiers en grootgrondbezitters en vergaarde enorme rijkdommen. Hammoerabi zag in dat zolang er geen stadsgodsdienst was, zijn onderdanen meer hun eigen tempel trouw waren en eerder luisterden naar wat de priesters in hun stad zeiden. laatst bijgewerkt: 16-6-02 |