1056

Mari (2900 - 1698 v. Chr.)

Noord-Mesopotamië (4000 – 2000 v. Chr.) Syrië (8000 - 2000 v. Chr.)
De belangrijkste stad(staat) in de eerste helft van het derde millennium was Mari aan de westoever van de Eufraat in Syrië, 12 km van de huidige grens met Irak. Het lag op een knooppunt van handelswegen tussen West-Syrië, Anatolië en de steden in Zuid-Mesopotamië. 

Naar het schijnt was Mari al omstreeks 2900 v. Chr. uitgegroeid van een kleine nederzetting tot een stad van behoorlijke omvang. De stad had meerdere tempels, een groot paleis en een stadsmuur. 

Het is moeilijk voorstelbaar dat de huidige kale vlakte ooit bloeiende boomgaarden en groene akkers kende. De fraaie kalkstenen beelden van priesters en hoogwaardigheidsbekleders die thans in de musea van Damascus en Aleppo staan opgesteld tonen dat Mari een eigen en cultureel hoogstaande kunst had ontwikkeld. Tussen 2700 - 2600 v. Chr. werd het eerste paleizencomplex gebouwd met dikke zware muren, onderaardse gewelven en mogelijk ook de eerste tempel. De grote Tempel van Dagan (Leeuwentempel), die deel uitmaakte van dit paleis, dateert uit ca. 2500 v. Chr. Deze tempel trok niet alleen lokale gelovigen, maar ook pelgrims aan uit de wijde omgeving. 

De gunstige handelspositie van de stad - de heersers van Mari worden genoemd in de Soemerische koningslijst - trok natuurlijk rivalen aan. Omstreeks 2500 v. Chr. werd Mari veroverd door de stad(staat) Ebla en omstreeks 2350 werd de stad veroverd door Sargon l van Akkad

Tijdens het bewind van Sargon van Akkad, diende Mari als uitvalsbasis voor zijn verdere campagnes. De Akkadische koningen lieten zich in de tempel van Dagan presenteren door twee grote bronzen leeuwen bij de tempelingang. 

Hun overheersing was slechts een kort leven beschoren, maar de Akkadiërs lieten wel de verering van de god Shamash na. De resten van de tempel die aan deze god was gewijd zijn gevonden dicht bij de paleisopgraving en die zich bevond bij een veel oudere tempelpiramide (ziggurat) die volgens een oude legende reeds bestond voor de bouw van het eerste paleis in Mari. Shamash is het Arkadische woord voor Zon en werd dor de Assyriérs en Babyloniërs overgenomen als de zonnegod. Zijn tempel in Mari was mogelijk nog ouder dan Sargon zelf en mogelijk komt de god Shamash overeen met de zonnegod Shapash, die in Ugarit werd vereerd.

Na de val van de Akkadische dynastie in 2154 v. Chr. kwam Mari korte tijd onder de invloed van de Derde Dynastie van Ur (2119-2004).

Tijdens de Derde Dynastie van Ur werd de Dagan-verering verheven tot officiële staatsgodsdienst. De verering breidde zich uit naar Ebla in West-Syrië (omstreeks 2300 v. Chr.) en Ugarit aan de Middellandse Zee omstreeks1300 v. Chr.

Na de val van de Derde Dynastie van Ur (2004 v. Chr.) vestigden zich de nomadische Amurru (Amorieten) zich in het hele Syrische gebied en stichtten in Mari een bloeiende dynastie. Dit Amoritische koningshuis werd vervolgens verdreven door Shamshi-Adad (1810-1771), de koning van Assoer, die zijn zoon als stadhouder in Mari zette. De naar Jamchad (Aleppo) verdreven Amoritische koningsfamilie wist echter in de 19e eeuw v. Chr. de troon weer te bemachtigen en het was onder de laatste telg Zimrilim dat Mari het toppunt van haar roem bereikte.

 

Het paleis paleis van Zimrilim met zijn 300 kamers gold als een wereldwonder dat zelfs de koning uit het verre Ugarit wenste te zien. Door de 25.000 teruggevonden kleitabletten uit het koninklijk archief  is een en ander bekend over politiek, economie en dagelijks leven van Mari. Zimrilims rijk omvatte een gebied van het huidige Raqqa tot ver in Irak. Tin, koper, hout, wijn en olie werden verhandeld met Kreta, Cyprus, Anatolië en Iran. Het koningspaleis van Mari was tegelijk regeringscentrum, residentie en handelscentrum, waar afgezanten van heinde en ver elkaar ontmoetten. Landbouw was mogelijk door intensive bevloeiing en tuinen vol dadelpalmen zorgden voor een extra luxueuze omgeving.

Boven: resten van de Court of Palms

De opgravingen in Mari begonnen in 1933, toen het gebied nog onder Frans bewind stond en stond onder leiding van de Franse archeoloog André Parrot. Hij en zijn opvolger Margueron hebben sinds die tijd zeer belangrijke vondsten gedaan. de beelden, rolzegels, kleitabletten, andschilderingen en andere kostbaarheden zijn te zien in de musea van Damascus en Aleppo. Enkele van de mooiste stukken worden bewaard in het Louvre in Parijs.

rechts: resten van de troonzaal

In het Nationaal Museum in Aleppo bevinden zich twee levensgrote stenen beelden: Eén beeld stelt de stroomgodin voor. De twee koeienhoorns boven haar voorhoofd zijn het symbool voor de goddelijkheid in het Midden-Oosten. Zij is gekleed in een straksluitende jurk met lange rok, waarop zwemmende vissen zijn afgebeeld. 
Zij draagt ringen in haar oren, armbanden om haar polsen een een zes rijen dikke ketting om haar hals. De godin houdt in haar handen een vaas, waardoor destijds water naar buiten liep. het beeld sierde waarschijnlijk een fontein in het paleis van Zimrilim (Zimri-Lim) in Mari (begin 2e millennium v. Chr.). Zimrilim regeerde als koning van Mari tussen 1782 en 1759 (volgens andere bron: 1775-1761). Zijn reusachtige paleis lag in het noordoostelijke deel van de stad en had bijna 300 kamers, opslagruimten, binnenplaatsen en een bibliotheek met meer dan 20.000 kleitabletten. Deze bevatten brieven, rapporten en diplomatieke correspondentie uit alle delen van Mesopotamië en het gebied daar omheen. Onder de kleitabletten bevindt zich ook de correspondentie tussen de Assyrische koning Shamshi-Adad (1810-1771) die Mari in 1800 v. Chr. had veroverd en zijn twee zoons.

Onder het paleis van Zimrilim bevinden zich de resten van de oudere paleizen, die dateren uit 2700 - 2600 v. Chr. Helaas zijn enkele muren van het nieuwe paleis gesloopt om de daaronder liggende resten te kunnen opgraven.

Uit dezelfde "Gouden Eeuw" van ZImrilim stamt het grote beeld van prins Ishtup-Ilum in zwart dioriet. Zijn naam staat op zijn schouder gegraveerd. Hij draagt een omslagdoek en een hoed met een brede rand.

Daarnaast zijn er tal van andere beelden gevonden, gemaakt van albast, gypsum of kalksteen. Zij dateren uit de vroege en midden-bronstijd. De mannen dragen lange golvende baarden, de vrouwen hoge mutsen of lange vlechten. De typische kleding stelt waarschijnlijk geitenvel voor. De meeste beelden zijn gevonden in tempels. Volgens de inscripties op hun schouders bidden de gevers ervan tot de goden in de hoop op een lang leven.

Bekend zijn het beeld van koning Lamgi-Mari die zijn geschenk wijdt aan de godin Ashtar en het beeld van een zittend paar dat elkaar teder omarmt. 

Boven: In het beroemde paleis van koning Zimrilim waren fresco's aangebracht. Een paneel was ingelegd met ivoor en parelmoer en stekt gevangen soldaten voor. Veel wandschildering zijn te vinden in het Louvre.

De "schat van Ur", gevonden in een aardewerken pot in het paleis van Mari bestaat uit kostbaarheden van goud en edelstenen, waaronder een adelaar van lapis lazuli met een leeuwenkop van goud en een koperen beeldje van een naakte godin met ogen van lapis lazuli en een diadeem van barnsteen.

De resten van de tempels die in de stad en daarbuiten zijn gevonden zijn gewijd aan de godin Ishtar en dateren uit de periode 2500 - 1800 v. Chr. De votiefbeelden en muurschilderingen tonen aan dat Mari ook een artistiek centrum was met een geheel eigen karakter dat grote invloed had op de omringende omgeving.

In 1698 v. Chr. werd Mari door koning Hammoerabi (1733 - 1690) van Babylon veroverd en verwoest. Aan de bloeiperiode van een opmerkelijke stadstaat was voorgoed een einde gekomen.

laatst bijgewerkt 12-12-02

colofon