1354

Soemerië:  2218  - 2047 v. Chr.
Guteeïsche periode

Soemerië (2334 - 2200) zie ook: Babylonië (2100 - 2000 v. Chr.)

Nog steeds leed de bevolking in het noorden van Soemerië onder de plunderingen van de Guteïsche stammen.

Na de dood van de laatste Akkadische koning Sjakalisjarri in 2193, stortte het centrale bestuur ineen. Kort na elkaar regeerden de Akkadische koningen Igigi (2192), Nanium (2192), Imi (2191) en Eluldan (2190). Vanaf 2189 regeerde Dudu 20 jaar lang als koning van Babylon. Shuturul (2168-2154) regeerde als laatste koning van de Akkadische dynastie als koning van Babylonië.

Het land ten prooi aan de "de Adders uit de bergen" zoals de Guteïsche stammen door de Akkadiërs  werden genoemd. Als sprinkhanen daalden zij al brandstichtend en plunderend de bergpassen af naar de rijke steden. Niet alleen Akkad, maar ook de Soemerische steden Ur, Uruk en Assur in het noorden werden geplunderd. Een centraal bestuur was er niet meer.

Hoewel de Akkadische periode maar kort heeft geduurd, liet deze wel degelijk sporen na in de Mesopotamische geschiedenis. De Akkadische taal vond overal ingang. Vanaf die tijd werd het Soemerisch niet meer gebruikt voor officiële inscripties, al bleef het wel een religieuze taal. Zelfs in Soemerië zelf verdrong het Akkadisch het Soemerisch al gauw als spreektaal. De Akkadiërs ontwikkelden een schitterend spijkerschrift; het was veel eleganter en doelmatiger als dat van de Soemeriërs (z. Soemerisch schrijft). Met Akkad verschenen de Koninklijke inscripties in een veel beknopter en helderder stijl dan ooit tevoren. 

Vooral het noorden van Akkad lijkt onder de Guteeërs geleden te hebben; de steden in het zuiden daarentegen kenden een zekere rust en bloei, voorop Lagash, de stad van Gudea (2143-2124 v.Chr.).

 

Ca. 2150 werd de Gudea, gouverneur van Lagash, koning van Soemer. Gudea was een vroom heerser. Zijn positie als machthebber was onaantastbaar, o.a. omdat hij zijn daden volledig in dienst van de goden stelde.
Gudea liet veel kostbare diorieten beelden van zichzelf maken. Deze kop maakte deel uit van een beeld in een tempel. Het stelde een biddende Gudea voor, vragend om goddelijke bescherming. Het gezicht van de koning is tot in detail uitgewerkt, met geprononceerde oogleden en wenkbrauwen. Op zijn hoofd staat een voor hem karakteristieke tulband.
Onder zijn bewind beleefde Soemer een bloeiperiode, dankzij de bouw van de grote Ningirsu-tempel, waarvoor de handelsroutes werden opengesteld.

Volgens sommige bronnen was Gudea de opvolger van Urbaba/Ur-Bau, volgens andere bronnen werd hij eerst nog voorgegaan door Nammaghani die twee jaar regeerde. Gudea kwam waarschijnlijk van buiten Mesopotamië, maar trouwde met Ninalla, de dochter van Ur-Bau, destijds heerser van Lagash. In Ur, Nippur, Adab, Uruk en Bad-Tibira zijn inscripties van hem gevonden, waardoor we weten dat de macht van Lagash tot ver in Mesopotamië reikte. Net zoals Eanatum van Lagash, Lugalzagesi van Umma en Sargon van Akkad, noemde Gudea zich Lugal (grote man), in het Akkadisch: Sharrum. 

Er is een inscriptie gevonden waarop hij zich zelfs "God van Lagash" noemt. De periode van Gudea staat niet bekend als een periode met schermutselingen, maar één van aanleg van irrigatiekanalen, tempels en van grote giften aan de goden. Opmerkelijk is dat er 26 beelden van Gudea zijn gevonden, gewijd aan diverse goden. In het begin van zijn periode waren de beelden klein en van regionale materialen, later werden ze groter en werden er materialen gebruikt die afkomstig waren uit de opgebouwde handelsroutes, vooral het exotische dioriet was erg populair. Gudea was een zeer populair leider, streefde naar vrede en onderling respect. Zijn zoon Ur-Ningirsu zette de constructieve lijn van Gudea door. Bron: Suyderland lexicon

± 2124 v. Chr. kwam er een eind aan de periode van onrust en oorlogen toen koning Utu Hegal (Utuhegal) van Uruk (2124 - 2120 v. Chr.) de Guteeërs (Guti) wist te verslaan en het koningschap van Soemer in ere ter herstellen. De laatste koning van de Guteeërs, Tiriga, kon aanvankelijk vluchten maar werd achterhaald en teruggebracht naar Utuhegal, nadien is van hem niets meer vernomen. Utuhegal genoot echter niet lang van zijn overwinning. Tijdens een inspectiereis verdronk hij (2120 v. Chr.) 

Derde dynastie van Ur (2047 - 1940 v. Chr.)

Laatst bijgewerkt: 28-02-11

colofon