773

Soemerië  (2110  - 2006 v. Chr.)
Derde dynastie van Ur 

-4000 -3750 -3500 -3250 -3000 -2750 -2500 -2250 -2000 -1750 -1500 -1250 -1000 -750 -500 -250 1 250 500 750 1000 1250 1500 1750 2000
Soemerië (2200 - 2110) zie ook: Babylonië (2100 - 2000 v. Chr.)

In 2120 kwam Ur-Nammu (2119 - 2103), de ensi (vazalvorst, militair gouverneur van Ur, tegen Utu Hegal (Utuhegal) in opstand. Nadat hij Ur-Nammu van de troon had gestoten riep hij zichzelf uit tot koning van Soemer en Akkad. Onder welke omstandigheden hij zich heeft meester gemaakt van de hegemonie over Soemer en Akkad is weinig bekend. 

Ur-Nammu kreeg al snel te maken met Namhani, de schoonzoon van Ur-Bau van Lagash, die mogelijk met steun van de Guteeërs, die zeven jaar eerder door Utu Hegal waren verslagen, trachtte Soemer onder zijn gezag te brengen. Hij versloeg Namhani en doodde hem. Vervolgens wist hij, getuige inscripties aldaar, o.a. Erech (Uruk), Nippur, Adab en Larsa te dwingen zijn gezag te erkennen en begon zelfs zijn gezag tot buiten Soemer uit te breiden. Hiermee werd Ur de dominante stad van Soemer en begon de laatste bloeitijd van de Soemerische cultuur.

Er was waarschijnlijk na het ineenstorten van het Guti-Rijk van Tiriqari en het vrij plotselinge verdwijnen van Utu Hegal - die door de rivier werd meegesleurd- een machtsvacuum dat de vorst van Ur snel wist op te vullen. Alleen Kish kwam nog tegen hem in opstand, maar Ur werd door Ur-Nammu tot onbetwiste hoofdstad gemaakt. Hoewel Ur-Nammu's bewind duidelijk de tekenen van nationaal herstel draagt, schijnt hij bewust een tolerant beleid jegens de Semitische Akkadiërs gevolgd te hebben. In zijn tijd waren de eigenlijke Soemeriërs waarschijnlijk al een minderheid in eigen land.

Ur-Nammu was één van de grotere heersers van de Soemerische geschiedenis. Hij leidde een tijdperk van welvaart in, die door zijn opvolgers ongeveer een eeuw lang verder werd geconsolideerd en uitgebouwd.

Ur-Nammu is verantwoordelijk voor veel bouwactiviteit. In Ur liet hij de tempels van Nannar, Ningal en Ninegal, de stadsmuren, de grote ziqqurat en het koninklijk paleis bouwen. Ook in Lagash, Eridu, Umma, Larsa en Adab liet hij tempels bouwen en verder herstelde hij het kanalenstelsel dat zo belangrijk was voor de landbouw.

De koning deed ook veel om het land weer veilig te maken van rovers en dieven. Er is lang gedacht dat hij de auteur was van de oudste bundeling van wetten in een wetboek in de geschiedenis, maar deze codex is waarschijnlijk van zijn zoon Shulgi, door wie hij werd opgevolgd. Ur-Nammu regeerde 16 jaar en sneuvelde in een onbekende oorlog (mogelijk tegen de Guteeërs, die nog geruime tijd trachtten hun invloed over de Soemerische laagvlakte te herstellen) en 'werd achtergelaten op het slagveld als een gebroken kruik'.

Ur-Nammu van Ur - Wikipedia

Boven: de zigurrat van Ur-Nammu. Deze werd gebouwd ter ere  van de Maangod Nanna in Ur ca. 2113-2096 v. Chr.. Het heiligdom bestond uit drie bouwlagen. Niet duidelijk is of er op de top ook een tempel heeft gestaan. 

Onder de derde dynastie van Ur  herwon de stad Ur veel van zijn vroegere glorie en grote delen van het rijk die verloren waren gegaan, werden heroverd. Het is moeilijk het gebied van de dynastie van Ur af te bakenen. De omvang veranderde ongetwijfeld in de loop der tijden, maar de gebieden die zij waarschijnlijk permanent onder hun beheer hadden zijn: de vlakte van Babylonië, de Dijala-vallei, de Midden-Eufraat, de Midden-Tigris tot aan de rivier de Chabur, het gebied rond Gassur (het latere Nuzi) dat een Akkadische bevolking had en Elam met de hoofdstad Susa. In het noorden lag de grens waarschijnlijk nog voor Assur.  Economisch gezien was dit een voorspoedige periode. 

Landbouw, handel, kunst (m.n. de architectuur) en nijverheid kwamen tot grote bloei. De ovaalvormige stad Ur werd omgeven door een lemen wal met daar bovenop een massieve muur van kleitichels. Deze muur die voornamelijk het werk was van Ur-Nammu (hij stierf voor de voltooiing) is later grotendeels gesloopt tijdens de bouwwerkzaamheden van de Nieuw-Babylonische heersers in de 6e eeuw v. Chr.

De vijf koningen die tijdens de derde dynastie van Ur na elkaar over het land heersten, voerden tal van nieuwe wetten en regels in, zoals een nieuwe jaartelling, nieuwe eenheden voor de maten en gewichten. De wegen en kanalen die onder de Guti in verval waren geraakt, werden weer hersteld. Verder werd ook het wegennet uitgebreid naar het noorden en beveiligd met forten en wachtposten om zo het handelsverkeer te bevorderen. Mobiliteit was van groot belang om dit gebied onder controle te houden. De belangrijkste ambtenaar van de koning was de sukkalmah, "de grote koerier". 

In Ur werden vele nieuwe tempels en andere grote nieuwe gebouwen gebouwd. De grote vierkante tempel van E-Chur-sag in Ur werd gesticht door Ur-Nammu; Sjulgi voltooide het gebouw, dat naar het schijn ook als paleis heeft gediend. Het grootste bouwwerk was de zigurrat of tempeltoren. Deze tempeltoren werd gebouwd tijdens de regering van Ur-Nammu. Vóór de 3e dynastie stonden de tempels altijd op de grond of op een terras, maar nu werd één van de altaren in een drie verdiepingen hoge lemen toren geplaatst, die tegen de weersinvloeden werd beschermd door een omhulsel van met bitumen gemetselde bakstenen. De onderste etage is 61 x 45,7 m en ca. 15 m hoog. De eerste etage bereikte men via één van de aan drie kanten aangebrachte trappen, die aan de bovenkant waren voorzien van stevige bastions. De toren was gemaakt van stenen van gedroogd leem, waartussen om de 6 á 8 lagen een laag rieten matwerk was aangebracht. In de heilige stad Nippur werden grote voorraadkamers aangelegd, waarin het koren, het vee en de kostbare metalen werden opgeslagen die als belastingen waren geïnd. 

De goddelijke verering van de koningen, die was geïntroduceerd door de Akkadiërs werd door de opvolger van Ur Nammu Shulgi (2104 - 2047) voortgezet. Hij liet de zigurrat van Nanna bouwen (ca. 2100)

Onder Amar Sin (Amarsin) (2046 - 2038) bereikte het koninkrijk van Ur zijn grootste omvang.  

Ten tijde van zijn broer Shu-Sin (Shusin) (2037 - 2030) nam de druk van buitenaf toe. In het oosten werd een coalitie gevormd tussen Perzische prinsen; in het noordwesten, in de vallei van de Eufraat, waren er aanvallen van de Ammorieten. Shu-Sin versloeg deze vijanden en nam stappen om zijn verdediging te versterken. 

Hij belastte zijn sukkulmah, Urdu-Nanna, met de verdediging in het oosten en liet een 140 km lange verdedigingsmuur bouwen, die echter later volslagen nutteloos bleek te zijn. 
De laatste koning van de Derde dynastie van Ur was Ibi-Sin (Ibbinsin) (2028 - 2004).
Tijdens zijn 25 jarige regering (2031 - 2006) had het land ernstig te lijden onder verwoestingen. Het scheen zelfs dat Ibi-Sin lange tijd in zijn eigen hoofdstad opgesloten heeft gezeten. Hij raakte de controle over de oostelijke provincies kwijt. Waarschijnlijk vanuit het gebied van de Syrische woestijn (Amurru) en Noord-Arabië pleegden de Amurru-stammen (Amorieten) een invasie. 

Als sprinkhanen zwermden de woeste bergvolkeren door de bergpassen en dalen massaal al brandstichtend en plunderend af naar de rijke steden. Het ene fort na het andere werd ingenomen. Arak en Uruk werden geplunderd en verwoest. Agade verdween zelfs geheel van de aardbodem en de ruïnes ervan zijn nimmer teruggevonden. In de jaren daarna vestigden deze oorspronkelijke nomaden zich in steden als Mari, Assur en Babylon en werden na verloop van tijd de overheersende bevolkingsgroep in een groot deel van Soemerië. 

Het land raakte in grote wanorde. Handel en verkeer kwamen stil te liggen. Daardoor ontstond er in de steden een tekort aan graan in de steden. De graanprijzen schoten omhoog en er braken hongersnood en pest uit. De gouverneur van Mari, Isjbi-Irra, wist tegen een exorbitant hoge prijs de hand te leggen op een grote partij graan, maar Ibi-Sin kon de schepen niet leveren om dit graan te vervoeren. Isjbi-Irra keerde zich tegen de koning en ook andere gouverneurs sloten zich bij hem aan. Toch was het niet Isjbi-Irra, maar waren het de Elamieten die de koning ten val brachten. In Ur werden zowel de zwakkeren als de sterken het slachtoffer van de pest. De lijken lagen opgestapeld in de stadspoorten, op de brede boulevards, die waren gebouwd om er feesten te houden, in de straten en stegen en op de pleinen waar anders landelijke festiviteiten plaatsvonden. Het stadsbestuur functioneerde niet meer. Toen de Elamieten voor de stad aankwamen, waren de bewoners van Ur niet bij machte zich te verdedigen en openden de poort. 
De Elamieten plunderden de stad. Alle tempels en koninklijke mausolea werden verwoest. Ibi-sin werd in gevangenschap weggevoerd. Daarmee kwam er een eind aan het 1500 jaar durende Soemerische oppergezag in het land van de twee rivieren. 

Volgens de Bijbel was Abraham een tijdgenoot van Amrafel, de koning van Sinear, Arioch, de koning van Ellasar, Kedarlaomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de volkeren. De Assyrische kronieken getuigen van een jarenlange oorlog, waarbij een koning van Elam, Kudur-Laghamar, met andere heersers een verbond sloot, onder wie een Eri-aku van Larsa en een Tud-ghula, die gemakkelijk als Kedarlaomer, Arioch en Tideal geïdentificeerd kunnen worden.
Daarmee zou dan 'Amrafel, de koning van Sinear' niemand anders zijn geweest dan Amar-Pal, respectievelijk Amar-Sin, de koning van Ur. Volgens Flavius Josephus heerste Abraham in Damascus, waar hij een vreemdeling was, nadat hij met een leger uit het land van boven Babylon was gekomen. Assyrische overleveringen hebben het over de'zoon van de priester die door de goden verkozen was', die aan de oever van de Dode Zee vijandelijke troepen had tegengehouden. In de kroniek van Amar-Sin is vastgelegd dat 'de weidegronden van de kudden van IB.RU.UM werden aangevallen.' Ibruum? Hebben we hier te doen met Abraham, wiens kudden proviand voor zijn leger vormden. Was zijn vader Terah - in het Akkadisch Tirhu - priester?

Over de herkomst van Abraham in de Bijbel wordt hij als Ibri aangeduid, dat onjuist vertaald werd als 'Hebreeër'. Volgens de theorie van Sitchin moet 'Ibri' als NI.IB.RI, 'stammend uit Nippur' worden uitgelegd. De hoofdgod van Nippur was Enlil, in het Akkadisch Ili of Ilulu. Mogelijk is de naam 'El', de god van Abraham, en de naam 'Allah' van dezelfde oorsprong. Er was een Babylonische tegenhanger van Job, Tabu-utul-bel. Na de verwoesting van Baalbek was de ruimteluchthaven in de Sinaï het laatste steunpunt van de goden in het land Tilmun. Volgens het "Erra-epos" was er een 'oorlog tussen de goden' over de rivaliteit tussen Marduk en Erra-Nergal, de zonen van Enki.

Marduk is de latere heerser van Babylon. Marduks zoon Nebu weet de Kanänitische steden aan zijn kant te krijgen (mogelijk Sodom, Gomorra, Adma en Zoar?) Nergal daarentegen weest Ur en diens bondgentoten voor zijn zaak te winnen. In het dal van Siddim weet Kudur-Laghamar de Kanaänitische vorsten te verslaan maar wordt ten slotte door Abraham verslagen. Marduk vindt zijn toevlucht in het land der Hetieten en keert naar Babylon terug. De oorlog gaat echter voort. Erra (Nergal) grijpt naar het 'uiterste wapen' om Nebu en zijn steden te vernietigen. Maar behalve dat de steden vernietigd werden werd Soemerië ook zelf het slachtoffer van een vloek, omdat de 'kwade wind' (nucleaire 'fall-out') zorgde voor een epidemie. In Nippur, Eridu en Mohenjodaro waren vele doden te betreuren.

Babylonië (2100-2000 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 07-02-07