1101 |
Mesopotamië (2110 - 2000 v. Chr.) |
![]() |
Vanuit hun stamland, de Syrische steppe bij de Midden-Eufraat, drongen kort voor 2000 v.Chr. de Amorieten door in Mesopotamië door, waar zij zich eerst vestigden als huursoldaten en kooplieden. In de jaren daarna vestigden zij zich in steden als Mari, Assur en Babylon en werden na verloop van tijd de overheersende bevolkingsgroep in een groot deel van Soemerië.
Tijdens het bewind van De bewoners van Uruk, die niet bij machte waren de stad te verdedigen, openden de poort, waarna de Elamieten de stad plunderden en |
Na de val van Ur (2004 v. Chr.) verdreven de Amorieten de Elamieten uit Zuid-Soemerië en veroverden zij in korte tijd het hele halvemaanvormige gebied tussen de Middellandse Zee in het westen (Kanaän), de Zuid-Turkse en het Zagros Gebergte in het oosten. In het noorden en de woestijnen in het zuiden. In het oosten werden zij tot staan gehouden door het koninkrijk Elam, in het westen door het rijk Egypte. Mesopotamië viel in vele stadsstaten uiteen. Tegen het eind van de 19e eeuw v. Chr. traden enkele krachtige heersers en dominerende staten naar voren als Larsa, Isin, Esjnoenna, Assoer (Oud-Assyrische Rijk), Mari en Babylon. De stadsstaat Assoer (Ashur) werd geregeerd door Ten westen van Assoer lag gelegen aan de Eufraat) de belangrijke Amoritische handelsstadsstaat Mari In het zuiden van Mesopotamië ontstonden de Amoritische stadsstaten Isin en Larsa
|
![]() |
![]() |
In de bergen van Armenië werd omstreeks 2100 jaar v. Chr. het smelten van ijzer uitgevonden. Gezien de aanvankelijke moeilijkheden bij de productie werd ijzer als zeer kostbaar materiaal beschouwd en alleen gebruikt voor het maken van statusvoorwerpen en niet voor gebruiksvoorwerpen.
laatst bijgewerkt: 12-02-07 |