2281

Mesopotamië (2000 - 1792 v. Chr.) 

Babylonië (2200 - 2006 v. Chr.)

Na de val van de derde dynastie van Ur in 2004 v. Chr.  was er een eind gekomen aan het 1500 jaar durende Soemerische oppergezag.

Nadat de Amorieten de Elamieten uit Zuid-Soemerië hadden verdreven veroverden zij in korte tijd het hele halvemaanvormige gebied tussen de Middellandse Zee in het westen (Kanaän), de Zuid-Turkse en het Zagros Gebergte in het oosten. In het noorden en de woestijnen in het zuiden. In het oosten werden zij tot staan gehouden door het koninkrijk Elam, in het westen door het rijk Egypte

De Amorieten namen de rijke cultuur van de Soemeriërs over. Ook namen zij de Akkadische taal over en pasten zij het Soemerische spijkerschrift bij deze taal aan. Het Soemerisch werd niet meer gebruikt als spreektaal en alleen nog maar gebruikt voor godsdienstige teksten. Er ontstonden verschillende Amoritische koninkrijken elk met een eigen ambitieuze en jaloerse heerser en een eigen hoofdstad.

Mesopotamië viel al snel uiteen in verschillende stadsstaten, geregeerd door Amoritische heersers: Assoer in het noorden, Mari, Babylon, Eshnunna, Isin en Larsa.

 

Assoer werd geregeerd door Shamshi-Adad l (1813 - 1781 of 1810-1771). Dit rijk staat bekend als het Oud-Assyrische Rijk. Korte tijd bezette hij de belangrijke handelsstadsstaat Mari De verdreven Amoritische koningsfamilie vluchtte naar Jamchad (Aleppo), maar wist in de 19e eeuw v. Chr. de troon weer te bemachtigen. Het was onder de laatste telg Zimrilim dat Mari het toppunt van haar roem bereikte.

Over Babylon heersten de koningen van de Amoritische dynastie
(Daar er enige onenigheid bestaat over het dateren van de gebeurtenissen van de eerste dynastie, is hier de korte chronologie gebruikt die het meest wordt gebruikt door geleerden anno 2006. De middenchronologie was tot voor kort de meest geprefereerde chronologie en plaatste de gebeurtenissen 64 jaar eerder dan hier is opgegeven. Er bestaat ook een lange chronologie die de gebeurtenissen 120 jaar eerder plaatst dan hier is opgegeven)

  • Sumu-abum (1894–1881)
    Hij wordt beschouwd als de stichter van de eerste dynastie die over Babylon heerste. Sumu-abum was een Amoritische prins die rond 1894 v. Chr., van Babylon, in die tijd een stad van weinig belang, de hoofdstad maakt van een klein onafhankelijk koninkrijk.
    Hij onderhield de cultus van een godheid, in de daaropvolgende periode, uit de familie van de god Enki: Marduk, nederige dienaar van de beschermgod Shamash van de stadstaat Sippar. 
  • Sumulael (Sûmû-la-El) (1881–1845)
  • Sabium (1845–1831)
  • Apil-Sin (1831–1813)
  • Sin-Muballit (1813–1793) (Hij was de vader van Hammoerabi)

Eshnunna in het noordoosten van Soemerië tussen de bergen en Tigris, was een onafhankelijke stadsstaat (het vorstendom Warum) dat voor en tijdens de Oud-Babylonische periode een bloeiperiode meemaakte. Na de ineenstorting van de derde dynastie van Ur verklaarde het zich in 2026 v. Chr. onafhankelijk onder koning Ilushu-ilia. Zijn opvolgers Bilalama (ca. 1980 v. Chr.), Ibal-pî-El I (ca. 1860 v. Chr.), Naram-Sin (ca. 1810 v. Chr.), Dadusha (ca. 1780 v. Chr.) en Ibal-pî-El Il (ca. 1770 v. Chr.), breidden het territorium verder uit (o.a. de stadstaat Assur), waardoor het vorstendom de wegen tussen Elam, Hoog-Mesopotamië en Soemer beheerste. Het rijk van Isin dwarsboomde deze uitbreiding. Eshnunna zou nadien veroverd worden door Hammurabi in 1753 v. Chr. en aldus ingelijfd worden in het Oud-Babylonische rijk. In de Amoritische periode was haar hoofdgod Tishpak. De stad werd in de dertiger jaar (1930-1939) opgegraven en is bekend geworden door de codex die gevonden werd in een buitenpost van het koninkrijk, de stad Shuduppum (Tell Harmal even buiten het huidige Bagdad). Dit wetboek staat bekend als de codex van Eshnunna en stamt uit circa 1930 v.Chr. De meeste tabletten die zijn opgegraven worden in de Universiteit van Chicago bewaard en zijn nog altijd grotendeels ongepubliceerd.

Larsa viel in 1836  in handen van de Elamieten

De bergvolkeren in het noorden, zoals de uit Oost-Anatolië verdreven Hoerrieten, de Elamieten en de Kassieten die het Zagrosgebergte bewoonden, vormden voor de Amorische stadsstaten een grote bedreiging. Zij gebruikten in de strijd namelijk tweewielige strijdwagens, voortgetrokken door paarden. In die tijd waren dit de meest gespecialiseerde wapens. 

De bergen in het noorden hadden voor de Amorieten, die nakomelingen waren van nomaden uit de woestijn, iets fascinerends, maar ook iets dreigends. Alleen de kooplieden zetten die laatste gedachte snel van zich af. Immers de bergen en hun bewoners leverden grondstoffen: zilver, tin, lood, koper, goud. Ook de mensen uit de dorpen aan de bovenlopen van de rivieren, verlieten regelmatig hun kudden schapen en geiten en terrasvormige akkers om een tijd in de mijnen onder en boven de grond te werken of om in de smeltovens metalen staven te maken die zij verzamelden en opslaan tot de kooplieden opduiken. 

Om de bedreigingen uit het oosten het hoofd te kunnen bieden, verenigden de Amoritische stammen zich in een verbond. Ook begonnen zij met het opbouwen van een sterk leger om zich beter te weer te kunnen stellen. Alle mannen werden verplicht zich ieder jaar na de oogsttijd op het plein van het dorp of de stad aan te melden voor het vervullen van de dienstplicht. Soldaten en wapenen werden meer dan ooit verheerlijkt. Het dragen van wapens werd gezien als teken van waardigheid. Alleen iemand die wapens droeg mocht zich "man" noemen. Eten koken, tenten opzetten en goederen vervoeren was een taak voor de "armen", mensen die geen eigen grond bezaten. De tijd na de oogst was dé tijd om een veldtocht te ondernemen.

Babylonië (1792 - 1600 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 11-02-07

colofon