2281 |
Mesopotamië (2000 - 1792 v. Chr.) |
![]() Na de val van de derde dynastie van Ur in 2004 v. Chr. was er een eind gekomen aan het 1500 jaar durende Soemerische oppergezag. Nadat de Amorieten de Elamieten uit Zuid-Soemerië hadden verdreven veroverden zij in korte tijd het hele halvemaanvormige gebied tussen de Middellandse Zee in het westen (Kanaän), de Zuid-Turkse en het Zagros Gebergte in het oosten. In het noorden en de woestijnen in het zuiden. In het oosten werden zij tot staan gehouden door het koninkrijk Elam, in het westen door het rijk Egypte. De Amorieten namen de rijke cultuur van de Soemeriërs over. Ook namen zij de Akkadische taal over en pasten zij het Soemerische spijkerschrift bij deze taal aan. Het Soemerisch werd niet meer gebruikt als spreektaal en alleen nog maar gebruikt voor godsdienstige teksten. Er ontstonden verschillende Amoritische koninkrijken elk met een eigen ambitieuze en jaloerse heerser en een eigen hoofdstad. Mesopotamië viel al snel uiteen in verschillende stadsstaten, geregeerd door Amoritische heersers: Assoer in het noorden, Mari, Babylon, Eshnunna, Isin en Larsa. |
![]() |
Assoer werd geregeerd door Over Babylon heersten de koningen van de Amoritische dynastie
Eshnunna in het noordoosten van Soemerië tussen de bergen en Tigris, was een onafhankelijke stadsstaat (het vorstendom Warum) dat voor en tijdens de Oud-Babylonische periode een bloeiperiode meemaakte. Na de ineenstorting van de derde dynastie van Ur verklaarde het zich in 2026 v. Chr. onafhankelijk onder koning Larsa viel in 1836 in handen van de Elamieten De bergvolkeren in het noorden, zoals de uit Oost-Anatolië verdreven Hoerrieten, de Elamieten en de Kassieten die het Zagrosgebergte bewoonden, vormden voor de Amorische stadsstaten een grote bedreiging. Zij gebruikten in de strijd namelijk tweewielige strijdwagens, voortgetrokken door paarden. In die tijd waren dit de meest gespecialiseerde wapens. De bergen in het noorden hadden voor de Amorieten, die nakomelingen waren van nomaden uit de woestijn, iets fascinerends, maar ook iets dreigends. Alleen de kooplieden zetten die laatste gedachte snel van zich af. Immers de bergen en hun bewoners leverden grondstoffen: zilver, tin, lood, koper, goud. Ook de mensen uit de dorpen aan de bovenlopen van de rivieren, verlieten regelmatig hun kudden schapen en geiten en terrasvormige akkers om een tijd in de mijnen onder en boven de grond te werken of om in de smeltovens metalen staven te maken die zij verzamelden en opslaan tot de kooplieden opduiken. Om de bedreigingen uit het oosten het hoofd te kunnen bieden, verenigden de Amoritische stammen zich in een verbond. Ook begonnen zij met het opbouwen van een sterk leger om zich beter te weer te kunnen stellen. Alle mannen werden verplicht zich ieder jaar na de oogsttijd op het plein van het dorp of de stad aan te melden voor het vervullen van de dienstplicht. Soldaten en wapenen werden meer dan ooit verheerlijkt. Het dragen van wapens werd gezien als teken van waardigheid. Alleen iemand die wapens droeg mocht zich "man" noemen. Eten koken, tenten opzetten en goederen vervoeren was een taak voor de "armen", mensen die geen eigen grond bezaten. De tijd na de oogst was dé tijd om een veldtocht te ondernemen. |
laatst bijgewerkt: 11-02-07 |