1132

Kanaän (7000 -  3500 v. Chr.)

De herkomst van het woord Kanaän is onzeker, mogelijk is het gerelateerd aan het Egyptische woord voor westland. Een andere mogelijkheid is, dat het gerelateerd is aan een woord dat rode purper(wol) betekent, en dat Kanaän het land was waar deze rode purper uit geëxporteerd werd, een betekenis die overgedragen zou zijn van die van het woord Fenicië. Een andere verklaring, dat het woord Kanaän laagland betekent in tegenstelling tot Aram dat hoogland betekent, is minder waarschijnlijk. Dat het laagland betekent is evengoed een mogelijke verklaring. Kanaän is de benaming voor het gebied ten westen van de rivier Jordaan. De naam komt ook voor in Egyptische teksten in de 16e eeuw v. Chr.

De streek Kanaän omvat de smalle 375 km. lange en ca. 160 km brede kuststrook tussen de Sinaï-woestijn in het zuiden tot de omgeving van Damascus in het noorden. Aan de oostkant wordt het begrensd door de Arabische en Syrische woestijn en in het westen door de Middellandse Zee. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid. 
Overlangs wordt het in stukken verdeeld door hoge bergen en de diepe vallei van de Jordaan, die het laagste punt van het aardoppervlak vormt. 
In het westen ligt een smalle vruchtbare kuststrook. In het oosten en zuiden gaat een warboel van rotsachtige heuvels en valleien over in dorre woestijnwildernis.

Het land zag er uit als een lappendeken van rotsachtige heuvels, grazige hellingen, vruchtbare vlakten en dorre steppen. De Jordaan stroomde in de lengte door het land en honderden kleine riviertjes vloeiden omlaag van de heuvels - hoewel er verscheidene in de zomer opdroogden. Het land had een veranderlijk klimaat, van enorme hitte in de zomer tot een vochtige kou in de winter.

Kanaän werd sinds het 4e millennium voor Chr. bewoond door zwervende Semitische nomadenstammen die eerst van de ene oase naar de andere trokken, maar zich uiteindelijk vestigden in permanente nederzettingen. Tot deze stammen behoorden de Amorieten en de aan hen verwante Arameeërs (met centrumgebied Aram, het tegenwoordige Syrië). Voor al deze stammen wordt de verzamelnaam Kanaänieten gebruikt. Landbouw en veeteelt waren ver ontwikkeld en vormden de basis van de economische bedrijvigheid. Omstreeks 4500 v. Chr. ontstond Byblos als dorp.

De archeologie van Palestina kwam relatief laat tot ontwikkeling, namelijk op het einde van de 19de - begin 20ste eeuw en was gekoppeld aan de opkomende archeologische interesse voor de grote culturen van Egypte, Mesopotamië, Griekenland en Rome. Deze grootmachten, die op grote schaal materiële overblijfselen nalieten, waren het eerste doelwit van archeologen die op zoek waren naar overweldigende bewijzen van het verleden. Die archeologen werkten meestal voor de grote musea in Londen, Parijs en Berlijn. Tijdens deze eerste periode werden er in Palestina geen opgravingen uitgevoerd wegens de geografische gesteldheid van het land. De omstandigheden daar waren immers niet ideaal voor de ontwikkeling van een uitgestrekt rijk, en al helemaal niet voor architectonische huzarenstukjes zoals de Egyptische tempels of de Mesopotamische paleizen. Feit is dat de archeologische projecten in Palestina niet zijn uitgegaan van musea maar vanuit religieuze instanties.

De grote stimulans achter de archeologische opgravingen in Palestina was de connectie van het land met het Heilige Boek, de bijbel. De eerste archeologen die in Jericho en Shechem actief opgravingen deden, waren bibliotheekonderzoekers die zochten naar de overblijfselen van de steden die in de Bijbel vernoemd werden. De bijbelse archeologie groeide  verder met de activiteiten van William Foxwell Allbright, die een autoriteit was op het gebied van de archeologie, de geschiedenis en de linguïstiek van Israël en van het Nabije Oosten.

Allbright, een Amerikaan wiens vader een geestelijke was van Chileense afkomst, begon in de jaren '20 van de vorige eeuw met opgravingen in Palestina. Zijn drijfveer was zijn overtuiging dat de archeologie dé wetenschap bij uitstek was om de kritiek op de historische werkelijkheid van de bijbelse verhalen, vooral deze afkomstig van de Duitse Wellhausenschool, te weerleggen. Deze school van bijbelkritiek, ontstaan in het Duitsland van de 19de eeuw, betwistte de historische werkelijkheid van de bijbelse verhalen en claimde dat de bijbelse historiografie was geformuleerd, en, sterker nog, eigenlijk was bedacht gedurende de Babylonische gevangenschap. De bijbelgeleerden, de Duitsers in het bijzonder, beweerden dat de geschiedenis van de Hebreeuwen - de chronologische serie van gebeurtenissen te beginnen bij Abraham, Isaak en Jacob en zo verder tot de slavernij in Egypte, gevolgd door de Exodus om dan te eindigen met het veroveren en koloniseren van Israël - niets meer was dan een latere reconstructie van de gebeurtenissen met een theologisch doel.

Allbright geloofde dat de bijbel een historisch document was dat, alhoewel het door de geschiedenis heen onderhevig was geweest aan verschillende aanpassingen, toch een zekere weerspiegeling was van de oude realiteit. Hij was ervan overtuigd dat het vinden van de oude overblijfselen van Palestina het ultieme bewijs zou zijn van de historische waarheid van de gebeurtenissen aangaande het Joodse volk in hun land. Het idee van bijbelse opgravingen, zoals ontwikkeld door Allbright en zijn pupillen, bracht een reeks intensieve opgravingen voort op de belangrijkste bijbelse sites: Megiddo, Lachish, Gezer, Sechem (Nablus), Jericho, Jeruzalem, Ai, Gibeon, Beth-shean, Beth-shemesh, Hazor, Taanach en andere. Het doel was simpel en duidelijk: elke vondst zou bijdragen tot de opbouw van een harmonieus beeld van de geschiedenis.  

Luchtfoto van de heuvel van Lachish showing the Assyrian siege ramp in the near, right-hand corner and the remains of the palace on the summit.

De archeologen reageerden enthousiast op de bijbelse benadering en begonnen aan een queeste naar het ontrafelen van de bijbelse periode: de periode van de patriarchen, de steden van de Kanaänieten die vernietigd werden door de Israëlieten toen ze het land veroverden, de grenzen van de 12 stammen, de sites van de kolonisatieperiode, de poorten van Solomon te Hazor, Megiddo en Gezer, Solomons (of Ahabs) stallen, koning Solomons mijnen te Timna - zelfs nu is men nog ijverig aan het werk en claimt men de berg Sinaï gevonden te hebben als de berg Karkoum

Langzamerhand begon dit harmonieuze beeld echter gaten te vertonen. Men kwam in de paradoxale situatie dat de resultaten van de opgravingen, aangevat om de historische waarheid van de bijbel te versterken, deze waarheid in feite begonnen te ondermijnen.

Kanaän (3500 - 2000 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 14-01-07

colofon