1413

Kanaänitische steden (1800 -  1225 v. Chr.)

Kanaän (2000 - 1300 v. Chr.) 

Tot de centra in het binnenland van Kanaän behoorden Hebron, Jerzualem, Jericho, Sichem, Megiddo en Hazor. Langs de kust lagen Ugarit, Byblos, Sidon en Tyrus.
Hebron (Tel Rumeida - het oude Hebron, in sommige bronnen Kirjat-Arba genoemd<, 32 km ten zuiden van Jeruzalem, in het heuvelland van Juda, op 930 meter hoogte (het hoogste punt in de heuvels van Judea) is een van de oudste steden in het Midden-Oosten en een van de oudste steden van de wereld die onafgebroken bewoond is gebleven. Waarschijnlijk is Hebron in de 18e eeuw v. Chr. gesticht. In Tel Hebron waren de voorwaarden aanwezig voor het ontstaan van een nederzetting, namelijk de aanwezigheid van een waterbron, een gunstig klimaat voor landbouw en een gunstige handelsroute. Naar het noorden ging de weg over de bergkam van Juda en Samaria naar Sichem (het huidige Nabloes) - de zogenaamde "Weg van de Patriarchen". Verder ging er zuidwestwaarts een weg naar Gaza en Egypte en één zuidoostwaarts naar de Rode Zee en Moab. Het laagland tussen Hebron en de kustvlakte was dan ook het geografische, economische en militaire domein van Hebron. Zo blijkt uit de El-Amarna brieven dat de versterkte steden in de Shefela - Lachis en Azeka - onder het bestuur van Hebron stonden. Het blijkt eveneens zegelafdrukken in handvaten van kruiken van aardewerk.
De stad wordt vele malen in de Tenach genoemd. Het was een koninklijke Kanaänitische stad die in Bijbelse tijd door Israëlieten werd veroverd. De oudste archeologische vondsten dateren uit de periode 2000 - 1750 v. Chr.  Hiertoe behoren o.a. karakteristiek aardewerk, waaronder voorraadvaten kookpotten, schalen, kruikjes, etc. De plaats was niet versterkt. Natuurlijke grotten werden als familiegraven gebruikt. Een van deze grotten bestaat nog steeds: de Grot van de Patriarchen, die wordt beschouwd als de plaats waar de aartsvaders en -moeders Abraham, Sarah, Izak, Rebekka, Jakob en Leah begraven zijn.

Stenen muur en trap in Hebron

In de Hyksos-periode (1750-1500 v. C). - ontwikkelde Kirjat-Arba zich tot de versterkte Kanaänitische/Amoritische stad Hebron. De Griekse naam Hyksos betekent "heersers van vreemde landen". Zij regeerden van 1639-1531 v. C. over Egypte, Syrië en Palestina. Hun oorsprong is niet bekend. De Hyksoshoofdstad Avaris (Tell el Dab'a) lag in de Nijldelta. Archeologische vondsten uit deze periode zijn: een 9 meter dikke stenen muur, waarvan sommige stenen een afmeting van één bij twee meter hadden. De muur is gebouwd in de zogenaamde 'Hyksosstijl' (zonder metselwerk, vergelijkbaar met die van versterkingen in Megiddo en Gezer) en bleef bestaan tot de late IJzertijd (dus 1000 jaar). In een gebouw dichtbij de muur, die gebruikt werd voor het verzamelen van as, beenderen van dieren (vermoedelijk offerdieren) en potscherven vond men een kamer, en tevens een fragment van een kleitablet, waarop in Akkadisch spijkerschrift een lijst voorkomt van dieren (schapen en geiten) en vijf namen, waarvan er vier West-Semitisch waren (Amorieten) en één Hoerritisch, en de naam 'koning'. Het betreft vermoedelijk de koning van Hebron. Het aardewerk was zeer gevarieerd en typerend voor de Midden-Bronstijd.

In de Late Bronstijd (1500-1200 v. Chr.) stond Hebron (tijdelijk) onder Egyptische heerschappij: in 1897 zijn in de plaats Tell el-Amarna in Egypte kleitabletten gevonden met Akkadisch spijkerschrift, die inzicht geven in de relatie tussen de Egyptische monarch en zijn vazal-stadsstaten in Kanaän (en ook in de schermutselingen tussen de stadsstaten onderling, zoals Hebron en Jeruzalem). Dit zijn de beroemde Amarna-brieven. Hierin verschijnt onder andere regelmatig de naam Shoewardata als de regeerder van de Hebron-streek in het zuidelijk heuvellandschap (zeer waarschijnlijk de koning van Gath).


Byblos lag aan de Middellandse Zee in het gebied van het huidige Libanon ten noorden van  Beiroet (de steden Tyrus en Sidon lagen ten zuiden van Beiroet). De geschiedenis van de stad Byblos gaat terug tot ca. 4500 v. Chr. De nederzetting ontwikkelde zich tussen 3500 en 2900 v. Chr. tot  een echte stad. De tempel van de stadsgodin Baalat Gubla is waarschijnlijk al rond 2800 v. Chr. gesticht en werd geleidelijk uitgebreid. Het heiligdon is tot in de Romeinse tijd in gebruik gebleven.

De stad was gelegen op een rotsachtig uitsteeksel in zee rond een bron die het hele jaar door als watervoorziening kon dienen. De nabijheid van de bossen van de Libanon was van groot belang voor de ontwikkeling van de stad. Egypte had grote behoefte aan hout en had zelf geen bossen. De contacten met Egypte waren al vroeg van belang. Er zijn scherven van vazen van Menkaura, Unas en zowel Pepi I als Pepi II gevonden. Een inscriptie van Sneferu verklaart de Egyptische aanwezigheid: het cederhout van de Libanon. Ook werd er in Byblos veel bast geproduceerd, de grondstof voor papyrus.  

De stad heette eerst Gebal.  De Grieken noemden haar Byblos. Dat betekent 'boek'.  Van het meervoud 'biblia' is ons woord bijbel afgeleid. De Grieken  zagen er voor het eerst papyrusrollen die geïmporteerd waren uit Egypte en met inkt waren beschreven. Het papyrusblad, gebruikt als schrijfblad kreeg de naam biblos of biblion. Zo ontving de stad haar nieuwe naam Byblos. De papyrus, die eerst in grote hoeveelheden werd geïmporteerd uit Egypte, werd later een belangrijk exportproduct. De handelsnederzetting Byblos groeide uit tot een stadsstaat. De stadskoningen van waren vazallen van de Egyptische Farao's. In de bronstijd werd Byblos de belangrijkste haven van de Levant, vooral voor de handel in cederhout naar Egypte. In de tweede helft van het tweede millennium v. Chr. werd Byblos overvleugeld door de stad Ugarit die, toen de belangrijkste havenplaats werd in de Levant.

Byblos - Wikipedia


Bijna zonder uitzondering lagen de steden bovenop een heuveltop om goed uit te kunnen kijken over de beneden liggende vlakte en ruim van te voren naderend gevaar te kunnen onderkennen. De hoge ligging betekende ook een gunstige positie voor het werpen van wapens naar eventuele indringers. Regelmatig hadden de steden te lijden onder de verwoestingen van de oorlog of werden zij onder de voet gelopen door één van de omringende rijken en kregen zij hogen schattingen opgelegd. Soms stonden de steden ook vijandelijk tegenover elkaar. In de loop der tijd verbeterden de bewoners hun verdedigingswerken en bouwden zij muren rond de stad. Binnen de muren hadden ambachtslieden, kooplieden en schrijvers hun eigen wijken die waren verbonden door smalle, kronkelige straatjes. De huizen binnen de muren werden tegen elkaar aangebouwd, maar naarmate de bevolking van de stad zich uitbreidde, moesten de laatkomers zich vaak net buiten de muren vestigen. De bron was het middelpunt van het leven in de stad. Daar kwamen de mannen, vrouwen, kinderen en dieren heen om hun dorst te lessen. Voor hun huishoudelijke behoeften namen de vrouwen kruiken mee, die zij vulden en op hun hoofd en schouders naar huis droegen. In Jerzualem en Megiddo bevond de bron zich buiten de stadsmuren - waarschijnlijk omdat de nederzetting later is verplaatst. Maar in beide gevallen was de bron bereikbaar via een lange ondergrondse tunnel en was hij aan het oog onttrokken om te voorkomen dat plunderaars zich meester maakten van de watervoorziening van de stad. Tegen het einde van het 2e millennium v. Chr. waren de bewoners van Kanaän niet meer afhankelijk van een natuurlijke bron. Met verbeterde boorwerktuigen konden zij door de kalksteen heen bij het grondwater komen. Bovendien ontdekten de bewoners dat zij met pleisterkalk waterdichte waterreservoirs konden aanleggen. De meeste huizen waren één verdieping hoog, gemaakt van baksteen en leem, soms gesteund door houten balken. Slechts de rijken hadden huizen met een binnenplaats. 

laatst bijgewerkt: 13-02-07

colofon