2314

Sidon (ca. 1200 - 344)

Sidon was een van de belangrijkste Phoenicische steden, mogelijk ook de oudste. Van hieruit en vanuit andere havens werd het mediterrane handelsrijk gevestigd. Homeros was vol bewondering voor het vakmanschap in het produceren van glas en purperen kleurstoffen. Van hieruit vertrok ook een groep kolonisten die de stad Tyrus stichtten.

Zoals de meeste steden in dit gebied werd Sidon in de vroegste tijden gevormd rond een tempel met aan het hoofd een priesteres-koningin, die het koningschap aan een opvolging van dienstdoende koningen verleende. In 1855 werd de sarcofaag van koning Eshmun’azar II gevonden. Uit een Phoenicische inscriptie op het deksel blijkt dat het om een "koning van de Sidoniërs" ging, waarschijnlijk uit de 5e eeuw v. Chr., en dat zijn 'moeder' een priesteres van ‘Ashtart "de Godin van de Sidoniërs" was. In dezelfde inscriptie worden de goden Eshmun en "Ba‘al Sidon" 'Heerser van Sidon' (mogelijk beiden dezelfde) als hoofdgod(en) van de Sidoniërs genoemd. ‘Ashtart wordt betiteld als ‘Ashtart-Shem-Ba‘al '‘Ashtart naam van de heerser', een titel die men ook in Ugaritische teksten aantreft. 

Sidon werd tenslotte onder de voet gelopen door plunderende en moordende nomadenstammen afkomstig vanuit het noordoosten, zoals dat gebeurde met de meeste steden van Kanaän. Tot de brandcatastrofe van rond 1200 v. Chr. was het noordelijker gelegen Ugarit de belangrijkste havenstad aan de Syrisch-Libanese kust. De gehele streek stond geruime tijd onder Egyptische invloed, Byblos was hun voornaamste steunpunt in hun strijd met eerst Mitanni en later Hatti. Zo wist Ramses II in zijn campagnes van regeringsjaar 8 en 9 (1271 v. Chr.) toegang tot de kuststeden, waaronder Sidon, zeker te stellen.

In de periode ca. 1189-1180 v. Chr. waarin vele steden door  de zeevolken die gebieden rond de Middellandse Zee onveilig maakten, geplunderd en in brand werden gestoken, gingen zowel Ugarit als Hatti ten onder. Egypte stelde buiten haar eigen grenzen na Ramses III (1194 - 1163) niet veel meer voor, waardoor ook Byblos aan belang verloor. Voor 1000 v. Chr. fungeerde een bescheiden Sidon als haven voor de Aramese koninkrijken van het binnenland, maar vanaf de 10e eeuw v. Chr. ontwikkelde de stad zich samen met Tyrus en Arvad tot een van de belangrijkste Phoenicische havensteden. De drie steden betaalden schatting aan Tiglath-Pileser I (1115-1077) van Assyrië, dat in zijn tijd de enige staat van belang was. De koning werd echter door een van zijn zoons vermoord en na hem verzonk ook dit machtig koninkrijk geruime tijd in verval. Hierdoor kregen voorheen onbelangrijke volkeren zoals Israël de kans hun macht uit te breiden. Ook de Phoeniciërs maakten van de gelegenheid gebruik. Zij begonnen een uitgebreid handelsrijk op te bouwen en stichtten kolonies op vele plaatsen langs de kusten van de Middellandse Zee, eerst Kition op Cyprus, later bijvoorbeeld (814 v. Chr.) Carthago en Gadir (Cadiz) Cadiz in Spanje. 

In 877 v. Chr. stonden er echter weer Assyrische legers aan de kust en na de veldtocht van Shalmaneser lll in 841 v. Chr. werd de stad gedwongen weer schatting te betalen. Daarna was het een vazalstaat van Assyrië die beurtelings weer wel en weer niet gehoorzaam was. Tiglat-Pileser lII legde beperkingen op aan de handel in hout op Egypte en Palestina en annexeerde een deel van Syrië in 742 v. Chr.. Daarna moest hij zich echter tegen Urartu verweren. Sidon en Tyrus trachtten van de gelegenheid gebruik te maken zich weer onafhankelijk te maken maar in 734 v. Chr. deed Assyrië opnieuw een ingreep om gehoorzaamheid af te dwingen.

In de tijd van Sennacherib (705--681) vormde de stad, daartoe door Egypte aangespoord, onder koning Lulê opnieuw een bondgenootschap met Ascalon en Juda (704 v. Chr.), maar de Assyriërs dwongen Lulê naar Cyprus te vluchten (701 v. Chr.). Koning Abdi-Milkuti kwam in 677 opnieuw tegen de Assyrische koning Esarhaddon in opstand, maar de stad werd ingenomen en verwoest. De bewoners werden afgevoerd naar Assyrië en het gebied van de stad werd aan Tyrus -een trouwe vazal- gegeven.

Babylonische overheersing (573 - 539)

In 589 werd de herbouwde stad door Nabu-kudurri-usur (Nebukadnezer) II opnieuw ingenomen en kwam zo onder Babylonisch bewind. Tyrus bleef bij die gelegenheid -gesteund door het Egypte van Apries- tot 573 v. Chr. taai tegenstand bieden. 

Perzische overheersing (539 - 332)

Na de val van Babylon gingen beide steden (Sidon en Tyrus) in Perzische handen over en maakten deel uit van de satrapie 'Over de Rivier' (de Eufraat). 

De handel - en daarmee de stad - beleefde opnieuw een bloeitijd, waarin de stad geleidelijk onder Griekse invloed kwam. Koning Abdasthart (370-358 v. Chr.) was in Athene bijvoorbeeld bekend als Strato. Hij verwierf door het betalen van 10 talenten een bevoorrechte positie voor zijn burgers in Athene. Er was een levendige culturele uitwisseling. Hij voerde musici in uit Griekenland en stuurde beelden naar de tempel van Apollon in Delphi met inscripties in zowel Grieks als Phoenicisch. Strato trachtte zich onafhankelijker op te stellen door betrekkingen met het weer onafhankelijke Egypte aan te gaan, maar de Perzen stuurden hun leger op Sidon af. Strato pleegde zelfmoord. Tennes werd zijn opvolger en stelde zijn havens open als uitvalsbasis voor de Perzische vloot.

Tennes (Phoenicisch: Tabnit) (354 - 350)

Na de mislukte inval van  Artaxerxes III in Egypte (350 v. Chr.) kwam Tennes - vermoedelijk op verzoek van farao Nectanebo II - in opstand gekomen tegen deze Perzische heerser. Nectanebo stuurde hem daarop (346 v. Chr.)  4000 Griekse huurlingen uit Egypte onder leiding van de bekwame generaal Mentor van Rhodos. Met deze Egyptische steun en die van Pnythagoras, de koning van Salamis (Cyprus) versloeg Tennes de satrapen Mazaeus van Cilicië en Belysis van Syrië. Ze beseften echter dat ze tegen de hoofdmacht van Artaxerxes geen enkele kans maakten, waarop Tennes zijn stad verraadde aan de Perzen. Hij kwam echter zelf bedrogen uit en werd gedood door de Perzen. Mentor bleef gespaard. De burgers van de stad kozen ervoor tot het bittere einde verzet te plegen. Zij staken hun vloot in brand en kwamen zelf om in de vlammen van hun brandende stad (344 v. Chr.). Zo'n 40.000 mensen werden daarbij gedood. Opnieuw waren het de burgers van rivaal Tyrus die profiteerden van het lot van Sidon.

Laatst bijgewerkt: 03-03-07

colofon