2073

Anatolië (ca. 1700 - 1600 v. Chr.) - Hittieten

Anatolië (2300 - 1700 v. Chr.)
Oud-Hittietische rijk (ca. 1650 - ca. 1590 v. Chr.)
Onder de Indo-europese volkeren die aan het eind van het 3e millennium het hoogland van Anatolië waren binnengetrokken, bevond zich een volk dat later bekend zou worden onder de naam Hittieten. Zelf noemden zij zich Nesiten. Hun eerste stad was Nesa, in de buurt van Kayseri. Zij leefden in landbouwgemeenschappen en hoedden runderen en schapen. Zij kenden ook koper, lood, zilver en ijzer.

De Hittieten waren een strijdlustig, vernuftig volk, dat zeer bedreven was in de krijgskunde. Tussen ± 1700 - ± 1650 v. Chr. veroverden zij het land Hatti of Chatti (waarvan hun naam Hittieten is afgeleid) en stichtten zij een eigen staat.

Pu-Lugal-ma, of Pu-Šarruma, mogelijk voorstellend Hishmi-Sharruma (ca. 1700 - ca. 1680 v. Chr.)

Hishmi-Sharruma zou overeenkomen met de grootvader van Hattusili I en de vader van Labarnas I, genoemd (maar niet bij naam) door Hattusili I. 

Labarna (Labarnas) l (ca. 1680 - ca. 1650)

Labarna wordt gezien de stichter van het Oude Koninkrijk van de Hittieten (bloeitijd van ca. 1700–1500 v.Chr.), alhoewel zijn bestaan soms in twijfel wordt getrokken door wetenschappers.

  Labarnas was niet de eerste in de lijn voor de troon. Zijn voorganger Pu-Sarruma wees Labarnas als zijn opvolger aan nadat zijn eigen zonen tegen hem in opstand waren gekomen.. Bij de dood van PU-Sarruma werd de troon betwist door Labarnas en Papahdilmah, één van de zonen van PU-Sarruma, waarbij Labarna als overwinnaar uit de bus kwam.

Het weinige dat bekend is over hem is voornamelijk samengesteld van het Edict van Telipinu, die stelt dat hij zijn vijanden verpletterde en "hun liet genzen aan de zee", wat zou kunnen betekenen dat zijn veroveringen reikten van de Middellandse Zee kust in het zuiden en de Zwarte Zee in het noorden. Hij installeerde zijn zonen als gouverneurs in verscheidene steden, inclusief Tuwanuwa, Hupisna, Landa, en Lusna (de identiteit van deze plaatsen is onbekend, maar men denkt aan Tyana, Cybistra, Laranda, and Lystra). Door zijn veroveringen was hij verantwoordelijk voor het fundament onder het Hittitische Rijk dat zou volgen.

Labarna was eigenlijk een titel van vroegere Hittitische heersers en geen eigennaam. Bij gebrek aan referenties uit die tijd en het feit dat Hattusili I ook deze titel gebruikte, leiden sommige moderne wetenschappers af dat latere Hittitische geschiedschrijvers de referentie aan Labarna abusievelijk interpreteerden als een afzonderlijke koning voorafgaand aan Hattusili I. Volgens deze theorie waren Labarnas en Hattusili I eigenlijk één en dezelfde heerser.

In Anatolië breidde Labarna l de Hittitische hegemonie uit over Zuid-Anatolië tot aan de Middellandse Zee en in het westen tot in het koninkrijk Arzawa.

Labarna ll (Hattusili l) (ca. 1650 - 1620 v. Chr.)

Zijn zoon Labarna ll trok zuid-oostwaarts over het Taurusgebergte. Met de Hoerrieten en vooral met Aleppo in Syrië werd flink gestreden. 

Daarna veroverde hij de stadsstaat Hattusa of Hattusas (Bogasköy) op het hoogland van Anatolië. Nadat hij deze stad weer had laten herbouwen maakte hij haar tot hoofdstad van het Hittitische rijk en veranderde hij zijn naam in Hattusili (Hattusilis l)

Onder: zegel van Hattusili

Bovenop een berg liet hij een paleis bouwen en aan de voet ervan een grote tempel ter verering van Tessup (Teshub) en Hepat (Hebat) (de Zonnegodin, de gemalin van de Stormgod (Tarhun). Hattusa werd daarmee niet alleen het politieke, maar ook het godsdienstige centrum van het Hittitische rijk. 

Teshup en Hebat waren van oorsprong Hoerritische goden.

De godenwereld van de Hittieten was uitgebreid en hun mythologie weerspiegelt de diverse vreemde invloed en het wordt niet uitgesloten dat zij de voorlopers waren van de Griekse vertellingen en mythen. Vermoedelijk waaiden zij over tijdens de Myceense periode.

Door strijd en sluwe onderhandelingstactiek wisten de Hittieten verschillende volkeren aan zich te onderwerpen. Enkele staten werden min of meer vrijwillig vazallen van de Hittitische koning in ruil voor militaire bescherming. Ook het zogenaamd opkomen voor uit hun land verdreven vluchtelingen was een een veelgebruikt motief om een naburige staat de oorlog te verklaren. Binnen korte tijd waren de Hittieten heer en meester in heel Anatolië.  

De "Grote Koning" was tegelijk opperbevelhebber, hogepriester en opperrechter. Hij leidde alle veldtochten persoonlijk. Deze begonnen in het voorjaar en duurden de hele zomer voort. Naast opperbevelhebber van het leger was de hoge koning tegelijk ook de hogepriester. Hij noemde zichzelf daarom ook wel "de gunsteling van de Stormgod". Als symbool voor het Hittitische koningsschap werd de tweekoppige adelaar gebruikt. 

Links: Beeldje van de Berggod

Van de volkeren die zij onderwierpen namen de Hittieten allerlei gebruiken, waaronder verschillende nieuwe krijgstactieken over, zoals de lichte, snelle driepersoons strijdwagen. In de strijd gebruikten zij bronzen dolken, lansen en speren, sikkelvormige zwaarden en strijdbijlen in de vorm van mensenhanden. De soldaten droegen een bronzen wapenrusting, bestaande uit een bol, rechthoekig schild en een kegelvormige helm met oorflappen en een lange vlechtachtige reep die langs de nel naar beneden hangt. 

Rechts: Hattusas: ruïnes van het koninklijk paleis

De Hittieten waren meesters in de belegering. Met hun stormrammen konden zij grote gaten slaan in de versterkte muren van vijandelijke steden. De volkeren die de Hittieten onderwierpen, behandelen zij niet al te ruw. Met de onderworpen koningen werden vredesverdragen gesloten, die vaak werden bezegeld met een koninklijk huwelijk met een Hittitische prinses, waar er blijkbaar voldoende van waren. In ruil voor een belofte van trouw en steun (in de vorm van geld en soldaten) kregen de onderworpen vorsten beperkte macht en bescherming. De soldaten die de vorst moest afstaan, werden ingelijfd bij het leger van de Grote Koning. Zolang de onderworpen koning zich niet met de buitenlandse politiek bemoeide, kon hij vrij zelfstandig verder heersen over zijn volk. Dit systeem had wel één groot nadeel: als de Hoge Koning stierf, probeerden de onderworpen vorsten zich weer van het rijk los te maken. De nieuwe koning van de Hittieten moest hen dan, als hij dat kan, opnieuw onderwerpen. 

Van de door hen onderworpen volkeren namen de Hittieten ook de verering van andere goden en godinnen over. Eén van de voornaamste godsdienstige plichten van de koning was de jaarlijkse rondreis langs de belangrijkste tempels van het rijk om op bepaalde data belangrijke godsdienstige feesten te kunnen bijwonen. Deze gelegenheid nam hij tegelijk te baat om zijn gezag te verstevigen. In het najaar keerde hij meestal snel terug naar Hattusa om zijn staatszaken te regelen. Ieder jaar trokken de vorsten naar Hattusa om in de grote zaal van het paleis hulde te brengen aan de Grote Koning.
Iedere delegatie bracht een karavaan, beladen met geschenken mee, gouden staven en bekers, wapens, sieraden, purper laken en welriekende oliën. Ook allerlei artistieke en kunstzinnige uitingen werden door de Hittieten van de overwonnen volkeren overgenomen. Zodoende sloot het aardewerk dat de Hittieten maakten nauw aan bij de vormen die al gangbaar waren in de periode van de Assyrische handelskolonies (± 2000 - ± 1700 v. Chr.). Ook het spijkerschrift namen de Hittieten over, dat zij gebruikten naast hun eigen hiëroglyfisch schrift. 

In 1906 werden de koninklijke archieven van de Hittieten opgegraven in het Turkse Bogasköy. Vooral inzake militaire overwinningen zijn die herhaaldelijk in tegenspraak met de Egyptische archieven. De gevonden teksten waren geschreven in de Hittitische taal, maar verdragen en officiële brieven waren opgesteld in het Akkadisch, de internationale taal in die tijd. De wetgeving van de Hittieten vertoont een grote Babylonische invloed, maar de rechtspraak bleek toegeeflijker te zijn geweest. Verminkingen en doodstraffen werden zelden uitgesproken en wraakneming werd meestal vervangen door teruggave of schadeloosstelling. Dat was bijvoorbeeld het geval bij diefstal. Het gestolen goed moest worden terugbezorgd en bovenop kwam een boete.

Troje (Troje Vl: ± 1900 - ± 1275 v. Chr.) vormde een belangrijk centrum in het noordwesten van Anatolië.

 Anatolië (1600 - 1500 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 24-02-07

colofon