2191

Mycene (2200 -  1600 v. Chr.)

Omstreeks 2200 v. Chr.  vestigde zich een volk, mogelijk afkomstig uit West-Anatolië, in de vruchtbare kustgebieden van het Griekse vasteland. Myceners werden zij genoemd, naar de vindplaats Mycene (Mykene) op het schiereiland Peloponnesos in het zuiden van Griekenland, waar voor het eerst sporen van hen zijn aangetroffen door de Duitse archeoloog Heinrich Schliemann (1876).
Op de smalle vruchtbare kuststrook van het Griekse vasteland bouwden de Myceners machtige versterkte steden, die de omgeving beheersten. Zij werden het middelpunt van kleine koninkrijken. De steden werden beschermd door massieve muren en torens, wat erop wijst dat de vorsten vaak met elkaar in oorlog voeren. Elke stad bezat sterke burcht, meestal gelegen boven op een steile heuvel, waar de bevolking zich in oorlogstijd veilig kon terugtrekken. De Myceners gingen zich, net als de bewoners van Kreta, bezighouden met het drijven van handel. 
Tussen 1700 -1600 onderging de Myceense beschaving een belangrijke invloed van de toen bloeiende beschaving op Kreta. Vanaf ± 1650 verwierven de koningen van Mycene grote macht op het Griekse vasteland. 
Mycene op de set van de film Salammbo (1959)

Binnen de burcht, ook wel acropolis genoemd, vinden we een cirkelvormige begraafplaats met 6 schachtgraven. Hier zijn 6 recht naar beneden gegraven graven van zo'n 4,5 tot 7,5 meter diepte. Beneden is een grafkamer. Hierin legden de Myceners de overledene met enkele grafgiften. Daarna sloten ze de ruimte met een balkendak en vulden ze de schacht opnieuw met aarde.

In deze 6 schachtgraven zijn in totaal 19 lijken gevonden; 8 mannen, 9 vrouwen en 2 kinderen. Bij een nieuwe overledene, werd de schacht opnieuw uitgegraven, werd het lichaam van de dode met enkele bezittingen in het graf gelegd, het balkendak hersteld en het graf weer met aarde dichtgegooid. Deze methode raakte later in onbruik en schakelden de Myceners schakelen over naar tholosgraven. De schachtgraven zijn nooit geplunderd, vandaar er er zeer rijke vondsten werden gedaan. Uit de rijke bijgiften – gouden maskers, sieraden, servieswerk, enz – blijkt invloed uit Egypte en Kreta. Bovenop de graven stonden grafstenen met jacht- en strijdtonelen in reliëf. 

De oudste schachtgraven in Mycene werden omstreeks 1650 v. Chr. gebouwd. Prof. Marinatos, die vooral bekend is geworden door zijn opgravingen op Thera heeft de theorie bedacht dat het goud in deze schachtgraven wel eens een beloning geweest zou kunnen zijn voor de hulp die de Myceners hebben gegeven bij het verdrijven van de Aziatische vorsten uit de Egypte (ca. 1533 v. Chr.). 

Twee complexen zijn ontdekt, omgeven door een ronde muur; een ervan ligt binnen, het andere buiten de ommuring. Later werden graven in de rotsen uitgehouwen. Uit de 16de eeuw v.C. zijn de zgn. kamergraven, uit de 15de en 14de eeuw v.C. de ronde koepelgraven, o.a. de zgn. "Schatkamer van Atreus" en het "Graf van Clytaemnestra". De koepels zijn gevormd door ringvormig gelegde, elkaar overkragende lagen stenen; op soortgelijke wijze werden gangen overwelfd.

Naast de gewone soorten graven waren er rond Mycene, koepelgraven. Dit waren bijenkorfachtige gebouwen, die in een heuvel waren gebouwd. Via een brede toegangsweg kwam je bij zo’n graf. Boven de deur was een driehoekige ruimte, om instorting te voorkomen.

Mycene (1600 - 1500 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 27-02-03

colofon