3784 |
Assyrië (705 - 668 v. Chr.) |
![]() |
Aan het eind van de 8e eeuw v. Chr. heerste |
![]() |
De veroveringszuchtige Assyriërs waren de eersten die op grote schaal gebruik maakten van de krijgswagens (rechts). Dit nieuwe "wapen" maakten hen superieur aan andere volkeren.
In zekere zin waren al de wreedheden van de Assyriërs ook een teken van zwakte. Assyrië was maar een relatief klein land aan de Tigris in het noorden van Mesopotamië. In feite was heel de oorlogsmachinerie van het rijk ook een economisch mechanisme om een betrekkelijk middelmatig land meer dan normaal te verrijken. Op den duur kon men dit natuurlijk niet volhouden. Om de veroveringen te behouden waren steeds weer strafexpedities en veroveringen van nog verder weg gelegen streken noodzakelijk. Intussen groeide in heel het Nabije Oosten de haat tegen deze vreemde machthebbers. De belastingen die de Assyriërs hieven, leidden tot verschrikkelijke ontbering. |
![]() |
Er kwamen vele opstanden, die wreed werden onderdrukt. Krijgsgevangenen werden tewerkgesteld in reusachtige steengroeven die het materiaal leverden voor de paleizen die de Assyrische koningen voor zichzelf lieten bouwen in hun hoofdstad.
In ca. 687 ondernam In Babylon, de staat ten zuiden van Assyrië (in het midden van het huidige Irak) streden een aantal groepen een wanhopige strijd om zich van het Assyrische juk te bevrijden.
De Kimmeriërs, die ± 750 v. Chr. door de Scythen uit hun vaderland waren verdreven en naar het zuiden waren getrokken, maakten zich weinig bemind bij de beschaafde volkeren die reeds in dit gebied woonden. In 707 v. Chr. versloegen zij Urarteeërs. Onder: Assyrisch paleis in Nippur |
![]() |
laatst bijgewerkt: 12-02-07 |