3786 |
Assyrische oorlogvoering |
De Assyriërs waren meesters in het oorlog voeren, vooral in het belegeren van steden. Bovendien beschikten zij over ijzeren wapens. ![]() Oorlogvoeren stond bij de Assyriërs nog steeds hoog in het vaandel. De koningen zagen het als hun eerste taak om alle verloren gebieden weer terug te veroveren. De voornaamste god van de Assyriërs, Assur, oorspronkelijk de beschermgod van de stad Assur en de god van de jacht, werd vereerd als de god van de oorlog, die zijn volgelingen naar de overwinning voerde. Al snel waren de Assyriërs even gevreesd als voorheen om hun wreedheden in de oorlogsvoering. Assyrische soldaten (Foto: from Livius.Org, with permission) |
![]() |
De heersers in het oude Assyrië moordden en martelden er lustig op los onder de overwonnen volkeren. Ze verdoezelden dit niet, nee, ze waren er zelfs trots op. Zo werd hun prestige vergroot en hielden ze de overwonnen volkeren onder de duim: "Ik doodde 14.000 van hun soldaten met het zwaard, op hen neervallend als de stormgod Adad wanneer Hij het doet stortregenen. Ik strooide hun lijken overal om mij heen en vulde de hele vlakte met wegvluchtende soldaten. Tijdens de slag doordrenkte ik het land met hun bloed. De vlakte was te klein om al hun zielen door te laten naar de onderwereld beneden: het grote veld was ontoereikend om hen allen te begraven. Met hun lijken legde ik een dam door de Drontes nog voordat daar een brug lag" Aldus berichtte koning Salmanassar lll over zijn veldtocht in 853 v. Chr. tegen een verbond van staatjes in Syrië, Libanon en Israël. Uit het verslag van Ashur Nasirpal ll over zijn veldtocht naar Syrië: "Ik liet een pilaar tegen de stadspoort bouwen die er bovenuit stak, en ik liet alle hoofdmannen villen ... en ik liet de pilaar met hun huid bekleden; sommigen liet ik in de pilaar metselen ... en ik liet de ledematen der officieren afhakken ..." "Vele krijgsgevangen uit hun midden liet ik levend verbranden ... Sommigen liet ik handen en vingers afslaan en anderen liet ik neus en oren afsnijden.... Velen liet ik de ogen uitsteken ... Jonge mannen en meisjes liet ik levend verbranden." |
Voor leiders van opstandelingen of anderen die in speciale mate de toorn van Assur hadden opgewekt bestonden bijzondere straffen, zoals spietsen of levend villen. Het was de Schrik van Assur die door zulk optreden verspreid moest worden en door de nauwkeurige berichtgeving erover nog moest worden versterkt.
Salmanassar lll schreef: "In het 18e jaar van mijn regering stak ik de Eufraat voor de 16e keer over. Hazaël, de koning van Damascus, vertrouwde op zijn talrijke leger (...), maar ik vocht met hem en versloeg hem, ik doodde 16.000 man van zijn ervaren soldaten, maakte 1121 strijdwagens, 470 rijpaarden en zijn hele legertros buit. Hij vluchtte en ik achtervolgde hem en belegerde hem in Damascus. Daar verwoestte ik de tuinen buiten de stad. Ik trok rond, ontelbare stadjes verwoestend, afbrekend en verbrandend, en nam een onschatbare hoeveelheid buit met mij mee..." Van die buit en van de schatting die de onderworpen vorsten aan Assyrië moesten betalen werd altijd nauwkeurig boek gehouden. Bovengenoemde tekst was een rapport die de koning van Assyrië van zijn veldtocht maakte voor zijn oppergod Assur. Een goede koning breidde de macht van Assyrië en daarmee de glorie van de god Assur uit ten koste van zijn buren.] In vrome gehoorzaamheid aan de Hoogste God Assur waren de koningen van Assyrië in de 9e, 8e en 7e eeuw v. Chr. bijna onophoudelijk op veldtocht, een spoor van verwoesting en ontvolking door het Midden Oosten trekkend en karavanen van krijgsgevangenen en met buit beladen lastdieren naar hun paleizen in het huidige Noord-Irak dirigeerden. De behandeling van de uit de veroverde gebieden weggevoerde slaven was uiterst slecht. Zij moesten het hoofd kaalscheren en kregen een merkteken ingetatoeëerd. Over hun eigen kinderen hadden zij niets meer te zeggen en konden door de meester op de slavenmarkt worden verkocht. Ook boeren die hun schulden niet konden betalen werden tot slaven gemaakt, mét hun vrouw en kinderen. Een eigenaar kon zijn slaven ongestraft mishandelen, als hij vond dat ze hun werk niet goed doen. Wél was het een goed gebruik dat, als de meester was overleden, de slaven werden vrijgelaten. laatst bijgewerkt: 08-09-08 |