2365 |
Midden-Assyrische Rijk (1115 - 910 v. Chr.) |
![]() |
![]() |
Paleis in Niniveh |
Tiglat-Pileser begon zijn regering met de verovering op een Anatolische horde (de Khaldi van het Van-meer?), die zowel de stad Niniveh ten noorden van Assur bedreigde als de voor Assyrië voornaamste handelswegen uit Klein-Azië, de hoofdbron voor de aanvoer van ijzererts, in die tijd in het merendeel van de beschaafde ouder wereld in gebruik. Later onderwierp hij hij, om zijn noordelijke en oostelijke grenzen veilig te stellen de agressieve stammen om en voorbij het Van-Meer in Armenië en het woeste bergvolk uit het Zagrosgebergte. In het westen liet hij zijn leger dwars door Syrië helemaal oprukken naar de Middellandse Zee, waar hij de welvarende Phoenicische steden Byblos, Sidon en Arwad een schatting afperste. Eveneens in het westen drong Tiglat-Pileser de Arameeërs over de Eufraat terug. Zij hadden al talrijke malen het Mesopotamische grondgebied geschonden. Tenslotte sloeg hij toe in het zuiden en nam hij Babylon in, een kortstondige zege, aangezien hij geen kans zag zijn overwinning uit te buiten door zijn gezag over het land en de bevolking te verkrijgen. De successen die Tiglat-Pileser op het slagveld behaalde kwamen zijn land ten goede. Zijn veroveringen hadden Assyrië ongekende welvaart gebracht. Dit stelde hem in staat grootscheepse restauratieprogramma's te laten uitvoeren. Hij liet de zigurrats (tempeltorens) en de hoofdtempel van zijn hoofdstad Assoer herstellen; de tempel kreeg een nieuw dak van cederhout, dat hij de steden aan de kust van Syrië en Libanon als schatting had laten betalen en hij liet er een bibliotheek met literaire werken in aanbrengen. Te Niniveh liet hij aantrekkelijke nieuwe plantsoenen aanleggen, die bevloeid werden door water dat van een zijrivier van de nabijgelegen Tigris verkregen werd. Soortgelijke projecten ter verfraaiing werden ook in andere Assyrische centra ten uitvoer gebracht. Tijdens zijn koningsschap werden talrijke landbouwhervormingen doorgedreven, zodat Tiglat-Pileser alle reden had er prat op te gaan, dat hij zijn volk goed gediend had en "hen bewogen had te leven ... in vreedzame woonplaatsen." Paradoxaal genoeg werd zijn bewind gekenmerkt door ongekende wreedheid tegenover al degenen die hij als vijanden van zijn volk beschouwde. Inscripties ter nagedachtenis van Tiglat-Pilesers militaire triomfen bieden een overvloed aan bloedige verslagen van het Assyrische schrikbewind. Maar onderwerping verkregen door dood en verderf te zaaien levert nu eenmaal geen loyaliteit op. Hij slaagde er dan ook niet in zijn rijk te consolideren door in de veroverde gebieden eensterk bestuur te vestigen. Onmiddellijk na zijn dood omstreeks 1103 v. Chr. brak onder het onderdurkte volk een opstand uit, waarna zijn onmetelijke rijk snel uit elkaar viel. De volgende anderhalve eeuw maakte Assyrië - en het overgrote deel van Mesopotamië - één van zijn donkerste perioden door. Vanaf ± 1100 v. Chr. werd Assyrië geregeerd door een aantal zwakke regeerders. Lokale potentaatjes maakten van elke troonswisseling gebruik om voor zichzelf te beginnen. Elke nieuwe koning moest de provincie in om orde op zaken te stellen. Onder druk gezet door de Arameeërs in het westen en bestookt door de stammen van het Zagrosgebergte in het oosten werden de Assyriërs geleidelijk teruggedrongen op een landstrook langs de Tigris met een oppervlakte van nauwelijks 160 bij 90 kilometer. Ook Babylonië werd door de Arameeërs onder de voet gelopen. Eén van hun stammen, de Kaldu, vestigde zich vlak bij de kop van de Perzische Golf. Van hen komt de naam Chaldea, vaak door Griekse en Hebreeuwse schrijvers gebruikt om er Babylonië mee aan te duiden.
Hij was een zoon van Tiglat-Pileser I, die enige jaren na de moord op zijn vader op de troon kwam. Hij liet een prachtige vrouwenbuste oprichten tot het genoegen van de bevolking die nu in het Britse museum te bewonderen valt. Assur was zijn hoofdstad maar hij beweerde ook een paleis in Nineveh te bezitten. Tijdens zijn regering werd de Aramese invasie een steeds groter probleem. In zijn tijd beperkten de invallen zich weliswaar nog tot de rechteroever van de Eufraat, maar hij wist slechts met grote moeite het Assyrisch gezag hier enigszins overeind te houden. Hij sloot daartoe onder andere een verdrag met aartsrivaal Babylon waar Adad-apal-iddina met vergelijkbare problemen te kampen had.
Shamshi-adad regeerde vanuit Assur, hoewel hij beweert ook een zomerpaleis in Nineve te bezitten. Met de dood van zijn voorganger Assyrië en Babylonië waarover de Elamitische heerser Deze tijd van rampspoed stond waarschijnlijk model voor het latere Erra-epos. Dit verhaal handelt over de godheid van rampspoed Erra die door zijn getrouwen bespot wordt omdat hij lui en ongeloofwaardig geworden is. Hij benadert Mardoek en vertelt hem dat diens beeld in de tempel nodig eens een opknapbeurt nodig heeft. Mardoek zegt dat hij de stad niet durft te verlaten op zoek naar edelstenen en andere benodigdheden, maar Erra weet hem ertoe over te halen het bestuur van de stad tijdelijk in zijn 'bekwame' handen over te laten. Zodra Mardoek de hielen licht begint Erra alles in de war te sturen tot grote ellende van de burgers van de stad. Uiteindelijk weet zijn eigen gevolg hem ervan te overtuigen dat iedereen nu wel gezien heeft wat een belangrijke en ontzagwekkende god Erra is. Deze vleierij haalt hem over weer naar huis te gaan en Mardoek weer de touwtjes in handen te geven, waarop de rust en de welvaart terugkeert.
Er is weinig bekend over hem, behoudens een enkele inscriptie in baksteen van zijn paleis. In zijn tijd trokken de Aramese stammen verder over de Eufraat en het Assyrische koninkrijk maakte een tijd van zwakte door.
Zijn regeringsperiode is een van de langste uit de Assyrische geschiedenis. Toch is er over deze koning zo goed als niets bekend, behalve dat de koningslijsten meer dan veertig eponiemen voor hem opsommen die ieder voor een jaar staan. Door sommige deskundigen wordt daarom getwijfeld aan de juistheid van de koningslijsten op dit punt en wordt verondersteld dat deze koning veel korter geregeerd zou hebben. Dit zou de gehele chronologie van voor zijn tijd met enige decennia inkorten, maar dit idee is zeker niet algemeen aanvaard. Er is bekend dat Assur-rabi II een jongere zoon van Assurnasirpal I was en dat hij zijn neefje Assur-nirari IV opvolgde. Verder is de tijd waarin hij regeerde een duistere en moeilijke tijd voor het Assyrische rijk waarin woestijnbewoners van Aramese afkomst steeds verder oprukken. Hij werd opgevolgd door
Tiglat-Pileser II volgde in 967 hij zijn vader Ashur-resh-ishi II en regeerde tot zijn dood in 935 v.Chr.. De Arameeërs drongen in zijn tijd door tot de streek rond Nisibin halverwege tussen de Khabur en de Tigris en de Assyrische koning was niet is staat om hen een halt toe te roepen. Zijn zoon Ashur-dan II volgde hem op.
In zijn tijd had het koninkrijk te kampen met de steeds verder oprukkende Arameeërs, waaronder de Kaldu (de Chaldeeën) en zijn regeringsperiode geldt dan ook als een tijd van zwakte. Daar zou pas onder zijn opvolger een einde aan komen, hoewel Assur-dan beweerd een aantal overwinningen tegen hen te hebben behaald.
laatst bijgewerkt: 22-08-08 |