2371 |
Kanaän (2000 - 1300 v. Chr.) |
![]() Tijdens het bewind van ![]() Omstreeks 1800 v. Chr. liepen er twee reeksen steden door Kanaän, één langs de kust, de andere in het binnenland - die een schakel vormt tussen Egypte, Anatolië en Babylonië. Behalve dat de Kanaänitische steden onderdak boden aan vroegere nomaden, waren zij belangrijke posten langs de grote wegen die de machtige rijken met elkaar verbonden. Zij dienden als handelsmarkten, opslagdepots, versterkingen, rustplaatsen en drenkplaatsen voor karavanen. Evenals hun buren, de Egyptenaren, Hittieten en Babyloniërs, aanbaden de Amoritische stammen die de streek Kanaän bewoonden (Kanaänieten) honderden goden. De tempels die ter ere van deze goden werden gebouwd stonden gewoonlijk op de plaats waar de nomaden al duizenden jaren eerder erediensten hielden in de open lucht. Zij verschilden van stad tot stad, maar zoals de meeste die elders over het gehele Nabije Oosten verspreid waren, bestonden de tempels o.h.a. uit drie ruimten. De binnenste kamer, waar het standbeeld van de god werd bewaard, werd als het heilige der heilige beschouwd. |
Bij de archeologische plaats Tel Arad in de noordelijke Negev woestijn zijn tussen 1962 en 1984 opgravingen gedaan, die overblijfselen van huizen, een fort en een tempel met een heilige der heiligen blootlegden. | ![]() |
![]() |
De Kanaänitische stad was ongeveer 2000 v.Chr. gesticht. Tel Arad is de best bewaarde opgegraven stedelijke nederzetting uit dit tijdperk. Deze stad bezat toegangspoorten en was omgeven door een verdedigingsmuur. | ![]() |
In de 18e eeuw voor Chr. hadden de steden en dorpen in Kanaän erg te lijden onder de aanvallen van de Hoerrieten. In aller ijl werd een leger gevormd en werden er versterkte torens en forten gebouwd om tegen de Hoerrietische horden weerstand te bieden. Met op Hoerrieten buitgemaakte strijdwagens en gevangen genomen Hoerritsiche soldaten stelden de Amorieten een strijdwageneenheid samen.
Rechts: Het Heilige der Heilige van de in Arad blootgelegde tempel. |
![]() |
In Deir el-Balah werden vijftig aardewerk sarcofagen, gevonden met menselijke gezichten, daterend uit de 14e-13e eeuw v. Chr. | ![]() |
![]() |
De Israëlieten
Ergens halverwege het 23e mill. v. Chr. zou een volk ontstaan uit een verzameling nomadische families van Semitische afkomst, o.l.v. aartsvader Abraham weg uit de stad Haran, als nomaden vrijelijk door door het Nabije Oosten hebben getrokken. Zij zouden geleefd hebben van de ruilhandel in kaas en wol voor meel en metaal. Uiteindelijk zouden zij zich vestigen in het land Kanaän en later zou Jacob, Het nageslacht van Jakob, Abrahams kleinzoon, zou voortaan de naam 'Israël' dragen en daarom Israëlieten worden genoemd. Jakob kreeg twaalf zonen en minstens twee dochters. Zijn zoon - Jozef werd door zijn broers uit jaloezie verkocht aan slavenhandelaren en kwam zo in Egypte terecht, waar hij wist op te klimmen tot de positie van onderkoning. Tijdens een periode van zware hongersnood kwamen zijn broers noodgedwongen in Egypte terecht alwaar Jozef uiteindelijk zich aan hen openbaarde. Jakob trok vervolgens met heel zijn hebben en houden naar Egypte, waar hij uiteindelijk ook overleed. De twaalf Joodse stammen zouden 430 jaar in Egypte verblijven en daar slavenwerk hebben moeten verrichten. |
Archeologische bewijzen voor dit alles ontbreken echter volkomen. Prof. Ze'ev Herzog, Department of Archaeology and Ancient Near East aan de Universiteit van Tel Aviv vraagt zich op grond van het ontbreken van archeologische vondsten die de historische juistheid van deze bijbelverhalen zouden kunnen ondersteunen, zelfs af of de Israëlieten wel ooit in Egypte hebben gewoond, in de woestijn hebben rondgezworven en hun land hebben veroverd in een militaire campagne. Egyptische documenten vermelden nergens de aanwezigheid van de Israëlieten in Egypte en zwijgen ook in alle talen over de uittocht. er zijn wel documenten die melding maken van de gewoonte dat nomadische herders het rijk betraden gedurende periodes van voedselnood en droogte en dan kampeerden aan de rand van de Nijldelta. Dat was echter niet een enkele uitzonderlijke keer; het gebeurde regelmatig. Generaties onderzoekers hebben geprobeerd de berg Sinaï en de rustplaatsen van de stammen in de woestijn te lokaliseren, maar ondanks deze intense pogingen heeft men zelfs niet één site gevonden die het bijbelse relaas bevestigt. Ook van andere gebeurtenissen in de geschiedenis van de Israëlieten zijn nergens sporen gevonden, noch in buiten-bijbelse documenten, noch bij archeologische opgravingen. De meeste historici veronderstellen daarom dat het verblijf in en de uittocht uit Egypte hoogstens een gebeurtenis was die maar enkele families hadden meegemaakt en dat hun persoonlijke geschiedenis werd uitgebreid en 'genationaliseerd' in functie van de theologische ideologie. Bron: Archeonet graaft het nieuws voor u op Over de datering van de exodus bestaan vele theorieën : ten tijde van farao Ramses ll (1301-1235), ten tijde van |
Voorts is er een theorie dat Mozes en |
Volgens de Engelse Egyptoloog Rohl zou de farao van de exodus |
Ian Wilson brengt de tien plagen in verband met de uitbarsting van de vulkaan op het eiland Thera (Santorini). Dat zou drie dingen verklaren: de duisternis (door de aswolken), de zuil van rook (overdag) of van vuur ('s nachts) en het wegspoelen van het Egyptische leger (door de tsunami of vloedgolf van de uitbarsting, niet in de Rode Zee maar in het Meer van Manzala bij Port-Said. Zelfs de kikkerplaag zou daardoor kunnen worden verklaard: doordat de vissen in het water stierven werd het kikkerdril niet opgegeten en ontstond er een kikkerplaag. Volgens het boek Exodus marcheerden de Israëlieten vanaf Raämses (Avaris) eerst in de richting van de rookkolom van de vulkaan, dus naar het noorden, en dan weer er vandaan, naar het zuiden. Kennelijk gingen ze naar de kust en dan over de strook land tussen het meer van Manzala en de zee, in zuidoostelijke richting. Het Egyptische leger zou dan verdronken zijn op die strook land. De uitbarsting van Thera zou hebben plaatsgevonden in 1628 v. Chr. dus tijdens de overheersing van de Aziatische vorsten (1633 - 1532 v. Chr.). ( |
Vestiging van de stammen van Abraham in het land Kanaän
Na de uittocht uit Egypte zouden de Israëlieten na jarenlange rondzwervingen door de Sinaï-woestijn het land Kanaän zijn binnengetrokken en onder leiding van Jozua en vervolgens de Kanaänïtische stadsstaten hebben bestormd. eerst Jericho, daarna de andere steden. Dit alles zou dan gebeurd zijn tijdens de laatste regeringsjaren van farao Van de hierboven genoemde veroveringen van Kanaänitische steden zijn geen archeologische bewijzen gevonden. Ondanks de pogingen van de archeologen werd duidelijk dat er in die periode geen steden waren, wier muren konden worden neergehaald. Versterkte nederzettingen waren er in die tijd nog niet. Lees verder: Archeonet graaft het nieuws voor u op Als er geen bewijs is voor de exodus uit Egypte en de tocht door de woestijn en als het verhaal van de militaire veroveringen van de versterkte steden is weerlegd door de archeologie, dan rijst natuurlijk de vraag wie waren dan deze Israëlieten? Als zij niet uit Egypte kwamen, wat was dan hun oorsprong? Volgens archeoloog Asrael Finkelstein waren de Israëlieten herders die gedurende de Late Bronstijd door het heuvelgebied rondtrokken (verschillende graven van dit volk zijn gevonden, zonder nederzettingen). Volgens zijn reconstructie hadden deze herders een ruileconomie, waarbij met de bewoners van de valleien vlees werd geruild voor graan. Maar door het verdwijnen van de urbanisering en het landbouwsysteem van het laagland (door invallen van andere volkeren) waren de nomaden gedwongen hun eigen graan te produceren en ontstond zo ook de behoefte aan vaste nederzettingen. |
![]() |
![]() |
Boven: de bestorming van Jericho, een paneel op een van Ghiberti's deuren van de Dom in Florence. |
laatst bijgewerkt: 21-02-07 |