2373

Kanaän (1300 - 1200 v. Chr.)

Kanaän (2000 - 1300 v. Chr.)

Nadat de Egyptische farao Ramses ll had weten door te stoten tot het noorden van Damascus en in 1299 slag had geleverd bij Kadesh aan de Orontes tegen de Hittietenkoning Muwattalli, bleef het steeds onrustig in de Kanaänitische rijkjes. Pas na het vredesverdrag tussen Hattusili lll en Ramses ll in 1270 kwam hieraan een einde. De farao huwde een dochter van de Hittitische koning en alles ten zuiden van Byblos bleef Egyptisch.

In de tweede helft van de 13e eeuw vestigden zich een aantal Semitsche volkeren  (w.o. de Moabieten, Edomieten en Ammonieten en Arameeërs) in het toenmalige Kanaän. Uit deze volkeren heeft zich vermoedelijk een los stammenverband losgemaakt: de Israëlieten.

Volgens het boek Numeri 21:13 werd het gebied ten noorden van de Arnon kort voor de Intocht door koning Sihon op de Moabieten veroverd zodat Dibon en Hesbon in zijn bezit kwamen. Het gebied ten noorden van de Arnon kwam in de tijd van de Intocht in het bezit van de Israëlieten. In de tijd van de Richteren heroverden de Moabieten hun oude gebied weer. Koning David (ca. 1000 - 961 v. Chr.) maakte de Arnon weer tot de noordgrens van Moab. Waarschijnlijk kwam het gebied ten noorden van de Arnon kort na de dood van Salomo weer in het bezit van de Moabieten. In ca. 880 v. C. veroverde koning Omri van Israël een deel van het Moabitische gebied ten noorden van de Arnon. De grens werd toen waarschijnlijk de wadi Hedan, een zijtak van de Arnon die naar het noordoosten loopt. Dibon bleef dus in handen van de Moabieten. 

De stad Dibon is bekend uit Egyptische inscripties onder de naam Tipinu. In de tijd van de Intocht was Dibon een stad in het koninkrijk van koning Sihon. De stad Dibon lag tijdens de Intocht echter op een andere plaats dan het Dibon dat later gebouwd werd door de Isralieten. Later werd Dibon veroverd door de Moabieten. Koning Mesa (Mesha) van Moab (ca. 850 v. C.) bouwde er een paleis. De overblijfselen van deze door Mesa versterkte stad zijn opgegraven.

De Israëlieten kennen een geheel andere lezing en stammen de Israëlieten af van de 12 zonen van Jakob (die Israël werd genoemd) en die zich, op uitnodiging van hun broer Jozef die (vizier) werd van de Farao, mochten vestigen in het land Gosen (het gebied tussen het oosten van de Nijldelta en het tegenwoordige Suezkanaal) in Egypte. Gedurende enkele eeuwen groeiden hun afstammelingen snel uit tot een flink volk. De Egyptenaren, ondertussen bang geworden dat zij overvleugeld zouden worden door de zich snel vermenigvuldigende Israëlieten, dwongen hen tot slavendienst en bevalen uiteindelijk zelfs dat pasgeboren jongetjes gedood moesten worden.

De thans beschikbare archeologische gegevens over Moab zijn nog hoofdzakelijk op oppervlakteonderzoek gebaseerd en kunnen geen uitsluitsel geven over de omvang en de aard van Laat Brons nederzettingen in Moab. De schriftelijke gegevens uit Egypte over Moab maken duidelijk dat het voorbarig is om op grond van beperkte archeologische gegevens te concluderen dat er in de 14e eeuw v. C. nog geen koninkrijk Moab bestond.

Aan het eind van de 13e eeuw v. Chr. (± 1225 v. Chr.), tijdens het bewind van Ramses ll (1279 tot 1213), zou de Exodus van de Joden uit Egypte onder leiding van Mozes hebben plaatsgevonden, hoewel David Rohl beweert dat die ca. 150 jaar daarvoor, ca. 1401 v. Chr.) heeft plaatsgevonden ten tijde van farao Amenhotep ll (1427 -1392). Volgens weer een andere theorie is de naam Mozes een Hebreeuwse verbastering van Ahmose (1539-1514), de Egyptische farao die ca. 1532 v. Chr. de Aziatische vorsten uit Egypte verdreef.

Kanaän (1200-1100 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 13-09-08

colofon