2373 |
Kanaän (1300 - 1200 v. Chr.) |
![]() |
Nadat de Egyptische farao In de tweede helft van de 13e eeuw vestigden zich een aantal Semitsche volkeren (w.o. de Moabieten, Edomieten en Ammonieten en Arameeërs) in het toenmalige Kanaän. Uit deze volkeren heeft zich vermoedelijk een los stammenverband losgemaakt: de Israëlieten. |
![]() |
Volgens het boek Numeri 21:13 werd het gebied ten noorden van de Arnon kort voor de Intocht door koning De stad Dibon is bekend uit Egyptische inscripties onder de naam Tipinu. In de tijd van de Intocht was Dibon een stad in het koninkrijk van koning Sihon. De stad Dibon lag tijdens de Intocht echter op een andere plaats dan het Dibon dat later gebouwd werd door de Isralieten. Later werd Dibon veroverd door de Moabieten. Koning De Israëlieten kennen een geheel andere lezing en stammen de Israëlieten af van de 12 zonen van Jakob (die Israël werd genoemd) en die zich, op uitnodiging van hun broer Jozef die (vizier) werd van de Farao, mochten vestigen in het land Gosen (het gebied tussen het oosten van de Nijldelta en het tegenwoordige Suezkanaal) in Egypte. Gedurende enkele eeuwen groeiden hun afstammelingen snel uit tot een flink volk. De Egyptenaren, ondertussen bang geworden dat zij overvleugeld zouden worden door de zich snel vermenigvuldigende Israëlieten, dwongen hen tot slavendienst en bevalen uiteindelijk zelfs dat pasgeboren jongetjes gedood moesten worden. De thans beschikbare archeologische gegevens over Moab zijn nog hoofdzakelijk op oppervlakteonderzoek gebaseerd en kunnen geen uitsluitsel geven over de omvang en de aard van Laat Brons nederzettingen in Moab. De schriftelijke gegevens uit Egypte over Moab maken duidelijk dat het voorbarig is om op grond van beperkte archeologische gegevens te concluderen dat er in de 14e eeuw v. C. nog geen koninkrijk Moab bestond. Aan het eind van de 13e eeuw v. Chr. (± 1225 v. Chr.), tijdens het bewind van |
laatst bijgewerkt: 13-09-08 |