2304 |
Kanaän (1200 - 1100 v. Chr.) |
![]() |
Het land Kanaän werd bewoond door de Kanaänieten, Israëlieten, Moabieten, Edomieten, Ammonieten en Filistijnen.
De Filistijnen vestigden zich in de loop van de 12e eeuw langs de zuidkust van Kanaän. Waarschijnlijk waren zij afkomstig uit het Egeïsch gebied. Mogelijk waren zij voor de poorten van de Egypte door Ramses lll teruggeslagen, maar het is ook zeer wel mogelijk dat zij zich, als soldaten in Egyptische dienst, in Palestina vestigden. |
![]() |
Aan het begin van 12e eeuw v. Chr. werd er in Kanaän volop gestreden. De Kanaänitische stadsstaten stonden er zeer zwak voor. Voor hun bescherming waren zij altijd afhankelijk geweest van het Egyptische rijk in het westen en het Hittitische rijk in het noorden, maar vanaf het begin van de 13e eeuw v. Chr. hadden beide beschermers de handen vol met het afhouden van de aanvallen van de "Zeevolken" en verwaarloosden zij de verdediging van de Kanaänitische steden. Mogelijk grepen de Israëlieten die zwakke positie aan om veroveringstochten te gaan ondernemen. Blijkbaar waren zij op dat moment ook zódanig gevestigd, dat zij gevestigde rechten te beschermen hadden en voelden zij zich zeker genoeg om de confrontatie met de plaatselijke machthebbers aan te gaan. Aan het begin van de 12e eeuw (± 1190) werd de Kanaänitische beschaving door invallende volkeren, w.o. de Israëlieten en de Arameeërs, vernietigd. Vele steden werden verwoest en geplunderd en hele gebieden raakten ontvolkt. Volgens het Oude Testament werden er 31 Kanaänitische "steden", waar onder Jericho en Hazor door de Israëlieten onder aanvoering van Jozua ingenomen (lees verder: Archeonet graaft het nieuws voor u op). Na hun succesvolle veroveringen vestigden de Israëlieten zich in groepjes tussen enclaves van andere volken in Kanaän (Edomieten, Moabieten en Ammonieten) in vier verschillende streken: Galilea, Efraïm en Juda ten westen van de Jordaan en in een gebied ten oosten daarvan. Het merendeel van de Israëlieten zegde het nomadisch bestaan vaarwel en ging wonen in huizen van steen in plaats van in tenten. Zij hakten bossen weg en begonnen met landbouw, weven en pottenbakken. Waren het inderdaad Israëlieten die deze nederzettingen weer opbouwden, dan was dit niet verwonderlijk. De Israëlieten waren immers tot voor kort alleen maar gewend aan een eenvoudig nomadisch bestaan. Behalve aanwijzingen voor herbouw van bestaande nederzettingen waren er ook funderingen van dorpen gevonden op plaatsen die voor 1200 v. Chr. nooit bewoond waren geweest. Deze ontdekkingen doen vermoeden dat de Israëlieten waarschijnlijk niet als één groep Kanaän waren getrokken, maar eerder stam voor stam Kanaän zijn binnengedruppeld, of zelfs familie voor familie en dat zij zich pas nadat zij in Kanaän waren aangekomen verenigden. Zij zouden bij de Kanaänieten en andere volken die al in Kanaän woonden aanvankelijk weinig beroering hebben veroorzaakt en zich gevestigd hebben in de onbevolkte delen van het platteland en ver van de steden. De beschaving van de Israëlieten, stond aanvankelijk op een veel minder hoog peil dan de Kanaänitische (zo gebruikten zij bijvoorbeeld sikkels van vuursteen i.p.v. metaal en grof aardewerk) maar de nauwe contacten die zij daarvoor hadden met oorspronkelijke bevolking (de Kanaänieten) hadden hun cultuur sterk beïnvloed. Een tijd lang leefden de Israëlieten een veilig bestaan, maar spoedig kregen zij te maken met invallen en plunderingen van de Midianieten, een nomadisch verband van stammen die door het woestijngebied zwierven langs Kanaän. Midian (of Midjan) is een volk dat in de Sinaï woestijn leefde. De Midianieten stamden af van Midian, de zoon van Abraham en Ketura. In de Bijbel wordt er ook gesproken over Midian. Toen Mozes uit Egypte vluchtte omdat hij een Egyptenaar gedood had, kwam hij in een Midianietische Stam. Hij ontmoette daar Zippora, de dochter van Jetro en trouwde met haar. Bron: Midjan - Wikipedia Onder aanvoering van Gideon, de zoon van Joas, wisten de Israëlieten deze stammen uit hun land te verdrijven. Met een klein leger van 300 man trok hij op tegen Midianieten die ver in de meerderheid waren. Door een verrassingsaaval gingen de Midianieten in de paniek elkaar te lijf, waardoor de Israëlieten de Midianieten overwonnen. Elk van deze 300 kregen een trompet, een fakkel en een kruik. Gideon verdeelde de mannen in drie groepen en gaf ze opdracht om het Midjanietische kamp te omsingelen,, de fakkel in de kruik te stoppen en deze dan aan te steken en het signaal van de trompet af te wachten. Toen het signaal klonk braken de mannen de kruiken, waardoor de fakkels te zien waren, bliezen op de trompetten en riepen "Het zwaard van de HERE en van Gideon!" Het effect was een complete verrassing en een shock. De 300 soldaten leken op een groot leger en de Midjanieten sloegen haastig op de vlucht, met Gideon in de achtervolging. Gideon zond boden naar de Eframieten om de terugtocht van de vijand bij de rivier de Jordaan af te snijden; en de prins van de Midjanieten werd gevangen en gedood. Onder: Gideon Chooses the Three Hundred, James Tissot, 1896-1900. Christian Theological Seminary, Indianapolis.Gideon |
![]() |
De potten die bij een archeologische opgraving van een Filistijnse stad bij Askelon zijn opgegraven waren rood-zwart en leken sterk op Myceens aardewerk, dat dezelfde kleuren en motieven heeft. De archeologen vonden o.m. ook haarden, die een centrale plaats innamen in de Aegeïsche cultuur en die in Palestina onbekend waren. Maar er zijn ook raadselachtige dingen. Zo zijn er graven gevonden voor honden. Niemand weet waar dat gebruik vandaan komt. Het stamt in ieder geval niet uit de Semitische wereld, want daar stonden honden niet in hoog aanzien.
De Arameeërs vestigden zich in Noord-Syrië, Libanon en het gebied rond Damascus. Na de inname van de Kanaänitische steden Askelon, Asdod, Gath en Gaza versmolten zij met de plaatselijke bevolking en raakten zo hun oorspronkelijke Indo-europese taal kwijt. Inscripties in de oorspronkelijke taal van de Filistijnen zijn echter tot op heden niet gevonden. In het Oude Testament staan slechts twee niet-Semitische woorden, te weinig om echte conclusies te kunnen trekken. De Filistijnen hebben ongetwijfeld vele geschriften nagelaten, maar omdat zij schreven op leer en papyrus is veel verloren gegaan. Dat er echter nog eens iets zal worden gevonden is niet onmogelijk, want de opgravingen zijn nog maar kort bezig. Voortaan gebruikten zij in een Semitische taal, een variant van het Hebreeuws. Alleen hun naam wisten zij om de een of andere reden te behouden. laatst bijgewerkt: 03-03-07 |