2376

Kanaän (1150 - 800 v. Chr.)

Kanaän 1200-1100 v. Chr.; Phoeniciërs (1200 - 600 v. Chr.), Filistijnen; Syrië (2000 v. Chr. - 1516 n. Chr.)

Tegen het midden van de 11e eeuw v. Chr. stonden de verspreide Israëlitische stammen in Kanaän tegenover een gemeenschappelijke vijand: de Filistijnen

Koning Saul, die in ± 1025 was gezalfd als eerste koning van de Israëlieten (Hebreeërs) wist paal en perk te stellen aan de invallen van de Filistijnen en hen te verdrijven naar de kuststeden. Toch leden de Israëlieten uiteindelijk  een zware nederlaag tegen de Filistijnen. Saul, die tijdens deze strijd gewond was geraakt, kon niet vluchten en pleegde zelfmoord om niet in handen van zijn vijanden te vallen. 

Na de dood van Saul (± 1000) riep de stam van Juda David (ca. 1000 - 961) uit tot koning van Juda.  Hij verdreef de Filistijnen voor altijd naar het westen en bracht alle Kanaänitische steden onder zijn heerschappij. Jeruzalem werd de nieuwe hoofdstad. Door scherpzinnige diplomatie en een agressieve, expansieve politiek wist David zijn macht verder te vergroten.  
 
In 961 kwam Salomo (961-922 v. Chr.) op de troon van Juda en Israël. Voor Israël begon nu de welvarendste en machtigste periode van haar bestaan.  Volgens de bijbelboeken Samuel en Koningen vormde de tiende eeuw voor Chr. de glorietijd van het oude Israël, met de koningen David en Salomo die heersten over Judea, Israël, Ammon, Edom (Petra), Moab en een belangrijk deel van Syrië.

Boven: Opgraving van de Poort van Khirbat  en Nahas in het oude Edom

Na de dood van Salomo, die als de  écht grote koning en bouwer van de Eerste Tempel geldt, in 930 v. Chr. zou het rijk uiteenvallen in de koninkrijken Judea en Israël. De vraag is, is dat allemaal wel waar? Slechts één ding is zeker: als deze bejubelde koningen ooit echt bestaan hebben, dan moeten ze in de tiende eeuw voor Chr. geleefd hebben. De bijbelse koningslijst heeft namelijk een ijkpunt in de vermelding in de Assyrische annalen van de latere koning Achab (871 - 852 v. Chr.) van Israël, die meevocht in de slag bij Karkar (Quarqar) (853 v. Chr.). Voor David en Salomo zelf bestaan géén archeologische bronnen of verwijzingen in niet-bijbelse teksten.

De paleizen en stadspoorten, gevonden in Gezer en Megiddo in Noord-Israël is een belangrijke steunpilaar voor de veronderstelling dat David en Salomo meer waren dan kleine stamgebonden krijgsheren met een goede postume propagandamachine. Temeer daar deze opgravingen blijken te stammen uit de tiende eeuw v. Chr.  Ook de 5e opgravingslaag in het Noord-Israëlische Tel Rehov wijst in die richting. In die laag, gedateerd op 940 - 900 v. Chr., is "red slibbed burnished" aardewerk gevonden, die ook is aangetroffen in de paleizen in Megiddo. 

Jerobeam uit Efraïm, die onder Salomo opzichter was van de bouwwerken in Jeruzalem pleegde een aanslag op de koning. Deze mislukte, waarna Jerobeam vluchtte naar Egypte. Toen onder Rechabeam de noordelijke stammen afvielen, keerde hij terug en werd hij koning over Israël (931). Bij deze verwikkelingen werd een rol gespeeld door de profeet Achai van Silo en waarschijnlijk ook door farao Shoshenq (Sisak) (945-924). Na de dood van Salomo (922) ondernam deze Egyptische farao een plundertocht door Palestina, waarbij de tempel van Jeruzalem werd leeggeroofd. Met het goud van Salomo liet Sjosjenk in zijn rijk nieuwe bouwwerken uitvoeren. 

Na de dood van Salomo in 922 v. Chr. was het rijk van de Israëlieten uiteengevallen in twee elkaar vijandelijke staten: Juda in het zuiden met als hoofdstad Jeruzalem en Israël, in het noorden met als hoofdstad Sichem, geregeerd door koning Jerobeam l (931-910). De twee koninkrijken zouden ongeveer 200 jaar naast elkaar blijven bestaan. 

In 876 vestigde koning Omri van Israël een nieuwe hoofdstad in Samaria. In 842 legde koningin Izébel van Israël de Baäl-cultus op en kwam de bevolking in opstand. Verzwakt door binnenlandse beroering moest Israël gebied afstaan aan de Arameeërs.

Kanaän (800 - 700 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 01-02-03

colofon