3731

Kanaän (800 - 700 v. Chr.)

Kanaän (1150 - 800 v. Chr)
In Kanaän stonden in de koninkrijken Israël en Juda de zgn. "profeten" in hoog aanzien. Hun invloed - en uiteindelijke betekenis - sproot voort uit een talent voor het analyseren van eigentijdse gebeurtenissen en die zodanig te interpreteren dat zij daarmee meenden te kunnen aantonen dat wangedrag en corruptie van de bevolking onvermijdelijk leidden tot de politieke ondergang van het eigen volk. Bij hun uitspraken gingen zij uit van de innerlijke stem van het eigen geweten en het geloof van hun vaderen. 
Over Juda heerste koning Amasja (Amazia) (= "Sterk is Jah") (797 - 778 v. Chr.). Na een overwinning op de Edomieten ontketende hij een oorlog tegen Joas van Israël. Daarin leed hij een nederlaag. Na een samenzwering tegen zijn gezag vluchtte hij naar Lachis., maar werd achterhaald en gedood. 

  Jerobeam (= Het volk vermeerdert) ll regeerde van 781 - 746 v. Chr.) over het koninkrijk Israël. Zijn regering was voorspoedig. Zijn rijk strekte zich uit van Hamat tot de Araba. Moab, dat zich onder Mesa van de Omriden had bevrijd, werd opnieuw in zijn onafhankleijkheid bedreigd. Onder Jerobeam ll predikten de profeten Amos en Hosea tegen de toenemende verering van de Kanaänitische vruchtbaarheidsgoden en tegen de ongerechtigheid, die grote afstand had geschapen tussen de rijken en de armen en dat de rijke klassen zich te buiten gingen aan uitspattingen, terwijl een groot deel van het volk moest leven in bittere armoede. Hij voorspelde dat eens het noordelijke koninkrijk zou worden overwonnen. Amos kreeg spoedig gelijk. In 738 v. Chr. legde Assyrië Israël zware schattingen op. In 733 v. Chr. verwoestten de Assyriërs de Israëlitische steden Megiddo en Hazor en stelden militaire voogden aan over provincies die voorheen Israëlitisch gebied waren.  

In 721 v. Chr. smeedde Laubidi uit Hama in Noord-Syrië, "een man van simpele afkomst, zonder recht op de troon, een vervloekte Hittiet"  plannen om koning van Hama te worden en haalde de steden Arvad, Simirra, Damascus en Samaria (in Israël) over   Sargon ll van Assyrië ontrouw te worden en met hem samen te werken. Voor Sargon was dit de aanleiding om dit gebied binnen te vallen. "Ik (Sargon) riep de soldaten van Assur op en belegerde hem en zijn krijgers in zijn geliefde stad Qarqar. Ik veroverde het en verbrandde het. Hemzelf vilde ik...".

Samaria werd in dat jaar eveneens veroverd en zijn bevolking door de Assyriërs weggevoerd naar Mesopotamië, voornamelijk personen uit de hogere sociale klassen: leden van de koninklijke familie, bestuurders, architecten, metaalsmeden, handwerks- en kooplieden, schrijvers) weg. Alleen de boeren die het land verzorgden en dorpelingen die geen betekenis hadden mochten achterblijven. Om ze in bedwang te houden stelden de Assyriërs gouverneurs aan. In plaats van de oorspronkelijke bevolking vestigden de Assyriërs zeer onderdanige vreemdelingen van elders uit het rijk in het veroverde Samaria. Zij gingen de nieuwe hogere klassen gingen vormen. Israël werd een vazalstaat van Assyrië en gedwongen Sargon ll schatting te betalen. 

In het zuiden wist koning Achaz van Juda een aanval van Sargon ll af te wenden door de tempel te ontdoen van al zijn goud en met juwelen bezette schatten om daarmee de eerste termijnen van de schatting te betalen. In 715 v. Chr. nam Hikzia de troon van Juda over. Hij legde een belasting op aan de landeigenaren onder zijn onderdanen om op die manier de regelmatige betalingen te kunnen bijhouden. Hoewel het koninkrijk volledig tot vazaldom werd gedegradeerd, bleef het niettemin tot op bescheiden hoogte welvaart genieten. 

Kanaän (700 - 600 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 04-02-03

colofon