3731 |
Kanaän (800 - 700 v. Chr.) |
![]() |
In Kanaän stonden in de koninkrijken Israël en Juda de zgn. "profeten" in hoog aanzien. Hun invloed - en uiteindelijke betekenis - sproot voort uit een talent voor het analyseren van eigentijdse gebeurtenissen en die zodanig te interpreteren dat zij daarmee meenden te kunnen aantonen dat wangedrag en corruptie van de bevolking onvermijdelijk leidden tot de politieke ondergang van het eigen volk. Bij hun uitspraken gingen zij uit van de innerlijke stem van het eigen geweten en het geloof van hun vaderen. | ![]() |
Over Juda heerste koning ![]() In 721 v. Chr. smeedde Laubidi uit Hama in Noord-Syrië, "een man van simpele afkomst, zonder recht op de troon, een vervloekte Hittiet" plannen om koning van Hama te worden en haalde de steden Arvad, Simirra, Damascus en Samaria (in Israël) over Samaria werd in dat jaar eveneens veroverd en zijn bevolking door de Assyriërs weggevoerd naar Mesopotamië, voornamelijk personen uit de hogere sociale klassen: leden van de koninklijke familie, bestuurders, architecten, metaalsmeden, handwerks- en kooplieden, schrijvers) weg. Alleen de boeren die het land verzorgden en dorpelingen die geen betekenis hadden mochten achterblijven. Om ze in bedwang te houden stelden de Assyriërs gouverneurs aan. In plaats van de oorspronkelijke bevolking vestigden de Assyriërs zeer onderdanige vreemdelingen van elders uit het rijk in het veroverde Samaria. Zij gingen de nieuwe hogere klassen gingen vormen. Israël werd een vazalstaat van Assyrië en gedwongen Sargon ll schatting te betalen. In het zuiden wist koning laatst bijgewerkt: 04-02-03 |