3821

Phoeniciërs (1200 -  567 v. Chr.)

Kanaän in de Bronstijd

De Egyptische vorsten, die na de veroveringstocht van Ramses ll (1299) het gebied ten zuiden van Byblos weer in handen hadden gekregen, verloren gaandeweg hun invloed in dit gebied. De Libanon, de smalle bergachtige kuststrook langs de Middellandse Zee, werd ingenomen en bewoond door verschillende volkeren. In Byblos verbleven de Tjeker, die behoorden tot de zogenaamde Zeevolkeren. Zij waren een handelsmacht op de Middellandse Zee. Mogelijk versmolten zij zich in de loop der tijd met de Kanaänieten. Door de Grieken werden zij toen aangeduid met Phoeniciërs (Feniciërs). Een ander volk dat de Libanon ging bewonen, waren de Pelisjtim (Filistijnen), die net als de Tjeker ook tot de Zeevolken behoorden. De lijfwacht van de Israëlitische koning David heette "Krethi en Plehti", waarbij "Krethi"voor Kretenzen en Plethi voor Filistijnen staat. De "Plethi" kwamen uit de buurt van Kreta. Ugarit werd na de plundering door de Zeevolkeren een door de Hoerrieten en Kanaänieten bewoonde stad. 
Aan het eind van de 11e eeuw werd de Egyptische priester Wenemon naar Byblos gestuurd, maar koning Sakerba'al erkende de Egyptische vorst al niet meer als zijn meester. 
De Phoeniciërs verwierven grote invloed in handel, de beschaving en de geschiedenis van hun wereld over een periode van meer dan duizend jaar. Al die tijd verspreidden zij zich westwaarts over het gehele Middellandse Zeegebied. De grote cederwouden op de hoge bergglooiingen vormden hun grootste bron van inkomsten. 
Al 2000 jaar lang werd cederhout verhandeld in de haven van Byblos. Ook Tyrus en Sidon werden belangrijke havensteden. Andere Phoenicische stadstaten waren Arvad, Beiroet en Tripoli.

De Phoeniciërs bouwden een grote vloot van handelsschepen, waarmee zij zelfs naar de Britse eilanden en de westkust van Afrika voeren. Uit Egypte haalden de Phoeniciërs linnen, uit Spanje en Sardinië zilver, ijzer, lood en tin. Afrika zorgde voor slaven, ivoor, goud, zilver, apen en pauwen. Kanaän leverde graan, honing en oliën. Het zuidoosten van Anatolië voerde paarden en muildieren uit. Routes over land verbonden het land van de Phoeniciërs met de Rode Zee, Arabië en Mesopotamië. De rijkdom van de Phoeniciërs was echter niet enkel gebaseerd op de handel. Zij waren uitstekende vaklieden, die grondstoffen verwerkten tot afgewerkte producten. Phoenicische metaalsmeden bewerkten brons, zilver en goud én ijzer. Na de ineenstorting van het rijk van de Hittieten (± 1150 v. Chr.) kregen de Phoeniciërs het monopolie op de productie van ijzer in handen, echter niet voor lange tijd. Al snel raakte de ijzerbewerkingstechniek en het gebruik van ijzer bekend in andere landen in het Nabije Oosten. 

De Phoeniciërs noemden zichzelf Tyriërs, Sidoniërs, Bybliërs, Carthagers, Motyanen, enz. Het woord Phoeniciër kenden zij niet: dat etiket werd hen waarschijnlijk door de Grieken opgeplakt en is bewaard gebleven door het toeval dat de Griekse taal en haar literatuur en niet de Phoenicische aan ons is doorgegeven. Waarschijnlijk afgeleid van het woord phoenix, dat donkerrood of paars betekende. Aangezien de Phoeniciërs grote vaardigheid als ververs hadden en beroemd waren om hun purperen weefsels, is het niet moeilijk te begrijpen hoe die naam bleef hangen. Hun naam heeft niets uitstaande met de mythologische vogel Phoenix, hoewel beide woorden zijn afgeleid van dezelfde Griekse stam. Er heeft nooit een land of rijk "Phoenicië" bestaan, er was alleen een verzameling onafhankelijke steden die meer belang stelden in de handel dan in de ontwikkeling van een groot rijk. Als handelaars waren de Phoeniciërs hun eigen ergste concurrenten en buitengewoon afgunstig op elkaar, met het gevolg dat, hoewel zij een gemeenschappelijke taal spraken en dezelfde goden aanbaden, zij zich nooit tot één land verenigden. 
Wevers weefden lakens uit wol, geïmporteerd uit Syrië. Laken en Egyptisch linnen werden geverfd met het beroemde Tyrische purper, een zeer kostbare verfstof, gemaakt uit de purexslak.. Al deze producten werden geëxporteerd in een groot gebied: van Italië tot Mesopotamië. Op het hoogtepunt van hun macht heersten de Phoeniciërs over een reusachtig netwerk van handeldrijvende kolonies van Cyprus tot Spanje. Zelfs toen de Libanon onder de heerschappij van grote rijken viel, bleven de steden zelf welvarend.

rechts: Phoenicische munt uit ca. 340 v. Chr. met afbeelding van een oorlogsschip.

Vanaf ± 1000 - 700 v. Chr. vestigden de Phoeniciërs handelswegen en nederzettingen in het Middellandse Zeegebied. Zij verwierven de reputatie als de meest vooraanstaande zeevaarders, kooplieden, rondtrekkende handwerkslieden, ontdekkingsreizigers en scheepsbouwers van hun tijd. Zij kwamen overal. Zij ruilden goederen met de Egyptenaren. Grieken, Assyriërs, Babyloniërs, Afrikanen en Spaanse stammen. De gehele wereld van de Middellandse Zee vormde haar bazaar. Zij kwamen zelfs verder, via de Atlantische Oceaan ver zuidwaarts langs de Afrikaanse kust en mogelijk naar het noorden naar Bretagne en de Britse eilanden. 

Waarschijnlijk begonnen de Phoeniciërs al vrij snel met het koloniseren van het Egeïsche gebied. Volgens archeologen zijn er voor de 8e eeuw v. Chr. geen vondsten gedaan die daarop wijzen, maar volgens oude schrijvers werd Utica al in 1101 gesticht. Volgens Stefanus van Byzantium waren de Phoeniciërs de eerste bewoners van Melos en heette het toen nog Byblis
Leptis Magna
in Libië werd door de Phoeniciërs uit Sidon gesticht. Gadir (Cadiz) in Spanje en Lixus en Volubilis in West-Afrika (Marokko) waren de verste kolonies. De Phoeniciërs koloniseerden ook Cyprus. Chittim was de belangrijkste stad. Hier heerste een dynastie met Phoenicische namen als Ba'almik, Osba'al en Ba'alram. In 814 stichtten de Phoeniciërs uit Tyrus de stad Carthago aan de noordkust van Afrika. 

Waarschijnlijk arriveerden aan het eind van de 9e eeuw v. Chr. de Phoeniciërs in Zuid-Spanje en kwamen zij in contact met de Tartessiërs. Het schijnt dat de twee volkeren in dit gebied geleidelijk met elkaar zijn samengesmolten. Op het Iberisch schiereiland stichtten de Phoeniciërs de stad Cordoba.

Boven: Het gebied dat in de 6e eeuw v. Chr. onder invloed stond van Carthago
± 700 v. Chr. stichtte Carthago Motya (It. Mozia) op Sicilië. 
Links: Motya op Sicilië

Van wat eens de zuidelijk toegangspoort was, is niet veel meer over. Recht: Van de rest ook niet veel meer dan wat fundamenten

De bloeiperiode van de Phoeniciërs kwam ten einde. In 877 v. Chr. moesten zij zich onderwerpen aan Ashoer Nasirpal ll (883-859 v. Chr.) van Assyrië. Sennacherib (Sanherib (705--681) die ca. 687 een strafexpeditie naar Juda ondernam, verdreef Loeli van Sidon en plaatste Toebaloe of Ethba'al op de troon. Alles van Sidon tot aan Akko werd ingelijfd bij het Assyrische rijk. Alleen Tyrus hield stand. Onder Esarhaddon 680-669) kwam Ethba'als opvolger Abdi-Milkoetti (Abdi-Milkutti) van Sidon in opstand, maar koos Tyrus de zijde van de Assyriërs. Nadat Abdi-Milkoetti verslagen en gedood was kreeg koning Ba'al van Tyrus de steden Marubbu en Sarepta toegewezen

± 600 v. Chr. sloten de Phoeniciërs een verbond met de Etrusken tegen de Grieken

Na de val van het Assyriche rijk (612 voor Chr.) werden Tyrus, Byblos en Arvad weer onafhankelijk, maar niet v oor lang. In 567 v. Chr. belegerde en veroverde Nebuchadneazar ll van Babylonië de stad Tyrus. Tot 559 v. Chr. stond deze stad onder Babylonische overheersing. In dat jaar veroverde Cyrus ll van Perzië het land van de Phoeniciërs. Cyprus kwam in handen van Egypte.  In het westen bleef het Phoenicische Carthago voortbestaan om te wedijveren met de groeiende macht van Rome (z. eerste Punische oorlog (264-241 v. Chr.) en tweede Punische oorlog (218-202). Toch deden de Phoeniciërs nog een paar keer van zich spreken. In de vierde eeuw voor Chr. stichtten de steden Arvad, Sidon en Tyrus  de kolonie Tripolis. In 352 deden zij nog een vergeefse poging om de Perzische heerschappij van zich af te schudden.

Laatst bijgewerkt: 16-06-04

colofon