2309

David (ca. 1000 - 961 v. Chr.)

  Kanaän (1100 - 800 v. Chr.)
Na de dood van Saul (± 1000 v. Chr.) riep de stam van Juda David uit tot Koning van Juda.  Nadat hij zich had gevestigd in Hebron, trok hij ten strijde tegen de Filistijnen en verdreef hen voor altijd naar het westen. Vanaf die tijd zouden nog slechts in enkele steden langs de zuidkust wonen. In het binnenland trok David door alle overgebleven Kanaänitische steden en bracht die onder zijn heerschappij. Zijn volgende stap was het vestigen van zijn hoofdstad in Jeruzalem (995 v. Chr). Voor zijn doel, de versterking van de eenheid van het Israëlitische volk, was die plaats bijna volmaakt. De stad ligt min of meer centraal voor alle twaalf stammen en in neutraal gebied: zij werd bewoond door de Jebusieten, een tak van een Kanaänitisch geslacht en had dus voor de Israëlieten geen bindingen van godsdienstige aard. 

Nadat David de stad had ingenomen, liet hij de Ark van het Verbond, die hij had heroverd op de Filistijnen naar zijn nieuwe hoofdstad brengen. Daarmee maakte David Jeruzalem tot een voor de Israëlieten heilige stad. Door scherpzinnige diplomatie en een agressieve, expansieve politiek wist David zijn macht verder te vergroten. Hij sloot een verbond met Hiram, koning van Tyrus, waarbij de Israëlieten toegang kregen tot één van de rijkste havens aan de Middellandse Zee. Daarna onderwierp hij de koninkrijken Moab en Edom en maakte ze tot provincies, 

De strijd tegen de Moabieten was hard en meedogenloos. In het Oude Testament (Samuel hoofdstuk 8 vers 2) staat te lezen: "Hij dwong hen op de grond te gaan liggen en mat de rij af met een touw: twee derde van de rij moest worden gedood en één derde mocht in leven blijven. Sindsdien waren de Moabieten aan David onderworpen en moesten ze schatting afdragen." (Nieuwe Bijbelvertaling). Later versloeg hij Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Soba, toen deze op weg was om zijn macht over het gebied langs de Eufraat te herstellen. David nam zeventienhonderd wagenmenners en twintigduizend man voetvolk gevangen. De strijdwagens schakelde hij uit door van alle paarden, op honderd span na, de pezen door te laten snijden."

De Arameeërs kwamen de koningen van Moab en Zobah te hulp maar ook zij werden verslagen. "Van de Arameeërs uit de buurt van Damascus die koning Hadadezer van Zobah (Aram-Zobah) te hulp kwamen, versloeg David er tweeëntwintigduizend. Vervolgens bezette hij strategische punten in het rijk van Damascus. Sindsdien waren de Arameeërs aan hem onderworpen en moesten ze schatting afdragen. David nam de gouden schilden van de lijfwacht van Hadadezer in beslag en nam ze mee naar Jeruzalem. Uit Betach en Berotai, steden die aan Hadadezer toebehoorden, bracht hij een grote hoeveelheid koper mee."

Toen David na zijn overwinning op de Arameeërs terugkeerde versloeg hij de Edomieten "in de Zoutvallei" (de ligging hiervan is niet zeker: de vlakte ten zuidwesten van de Dode Zee tegenover de oase van de Zered-delta, maar kan ook de Wadi el-Milh zijn geweest ten oosten Be'ersheba. (Encyclopedie van Bijbelse plaatsen), Overal in Edom bezette hij strategische punten, en sindsdien waren de Edomieten aan David onderworpen. 

Daarop leidde Davids legeraavoerder Joab een verwoestende veldtocht door Ammon. Koning Chanun van Ammon had de dreigng van een naderende inval in zijn rijk voorzien en had inmiddels huurlingen in dienst genomen: twintigduizend man voetvolk bij de Arameeërs van Rechob en Soba, duizend man bij de koning van Maächa en nog eens twaalfduizend bij Is-Tob. 

De Ammonieten rukten uit en stelden zich in slagorde op voor de poort. De Arameeërs van Zobah en Rechob en de mannen van Is-Tob en Maächa betrokken stellingen elders in het veld. Joab, die zag dat hij op twee fronten werd bedreigd, koos de allerbeste soldaten van Israël uit en stelde deze op tegen de Arameeërs. De rest van de soldaten plaatste hij onder bevel van zijn broer Abisai en stelde hij op tegen de Ammonieten. Zodra Joab met zijn soldaten de aanval opende, sloegen de Arameeërs op de vlucht. Toen de Ammonieten zagen dat de Arameeërs waren gevlucht, maakten ze zich voor Abisai uit de voeten en trokken ze zich terug in de stad. Joab staakte de strijd tegen Ammon en ging terug naar Jeruzalem.

De Arameeërs beseften dat ze door Israël verslagen waren en zochten versterking. Hadadezer deed een beroep op de Arameeërs die aan de overkant van de Eufraat woonden, en liet ze naar Chelam oprukken onder aanvoering van zijn opperbevelhebber Sobach.  Toen David hiervan hoorde, verzamelde hij alle troepen van Israël en trok de Jordaan over naar Chelam. De Arameeërs stelden zich tegenover David op en vielen hem aan. De Israëlieten joegen hen op de vlucht, en David doodde zevenhonderd Aramese wagenmenners en veertigduizend ruiters. Ook opperbevelhebber Sobach werd door hem getroffen en gedood. De vazallen van Hadadezer moesten zich bij hun nederlaag neerleggen. Ze sloten vrede met Israël en onderwierpen zich. De Arameeërs waagden het voortaan niet meer om de Ammonieten te hulp te komen.

Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger erop uit, onder leiding van Joab en zijn aanvoerders, om de Ammonieten te verslaan en Rabba te belegeren. Zelf bleef hij in Jeruzalem achter. Joab sloeg het beleg voor Rabba. Nadat Joab de stad had ingenomen en met de grond gelijk gemaakt, nam David de koning van de Ammonieten de kroon van het hoofd. Deze kroon, waarin naar hij vaststelde een heel talent aan goud en een kostbare edelsteen waren verwerkt. De inwoners werden buiten de stad gebracht waarna zij met steenzagen in stukken werden gezaagd en met ijzeren houwelen doorkliefd. Hetzelfde gebeurde in alle andere steden van Ammon. Daarna keerde Moab met het hele leger, beladen met oorlogsbuit naar Jeruzalem terug. 

David was bij de verovering van Ammon  in Jeruzalem gebleven. Hij was in de ban geraakt van Bathseba, de vrouw van de Hittiet Uria, die hij van het dak van zijn paleis had gadegeslagen toen zij aan het baden was. Hij liet uitzoeken wie zij was en liet haar bij zich brengen en sliep met haar. Toen zij in verwachting bleek, gaf David Uria de raad na zijn vermoeiende reis terug te keren naar huis om bij zijn vrouw te slapen, maar die raad sloeg Uria in de wind. Daarop schreef 
 David Joab een brief, die hij aan Uria meegaf, waarin stond dat hij Uria moest opstellen waar het hevigst gevochten werd en geen rugdekking te geven, opdat hij zou sneuvelen in de strijd. Nadat Uria inderdaad gesneuveld was nam David Bathseba zich tot vrouw. Het kind van Bathseba en Jacob stierf enkele dagen na de geboorte, wat gezien werd als de straf van God. (bron: Samuel, tweede boek, hoofdstuk 11)

Rechts: de badende Bathseba, schilderij van Rembrandt.

± 975 v. Chr. kon David door zijn combinatie van garnizoenen en schatting betalende vazallen in gebieden rond Kanaän aanspraak maken op een rijk dat zich uitstrekte van het Sinaï-schiereiland tot aan de Eufraat, tot ± 90 km. ten noorden van de welvarende stad Damascus. Voor de eerste keer hadden de Israëlieten een integrale staat, erkend door andere machten, in plaats van dat zij woonden in verspreid liggende stukjes land. Zij werden geregeerd door een krachtige koning. 

Laatst bijgewerkt: 14-05-10

colofon