2079

Hittieten (1295-1200 v. Chr.)

Hittieten (1322 - 1295 v. Chr.); Het Troje van Homerus (ca. 1275-1250/1220 v. Chr.; Trojaanse oorlog (ca. 1250-1220 v. Chr.)
 

Muwatalli ll (1295 - 1272 v. Chr.)

Ondanks de verdedigingsforten die zijn vader Mursili II had laten aanleggen waren de Kaskiërs in staat een aanval te doen op Hattusa en deze te plunderen. Muwatalli stopte met het in dienst nemen van Kaskiërs en verplaatste zijn hoofdstad meer zuidelijk naar Tarhuntassa en benoemde zijn broer, de latere Hattusili III, als gouverneur van de noordelijke Mark. Hattusili versloeg de Kaskiërs en heroverde Nerik, en bij zijn troonsbestijging verhuisde hij de hoofdstad weer terug naar Hattusa.

Kort nadat Muwatalli II aan de macht was gekomen vormde Egypte alweer een groot probleem voor de Hittieten. Na enkele jaren liep het uit op een veldslag tussen Muwatalli II en de toenmalige farao Seti I (1294 - 1279), waarbij de laatstgenoemde onder tot voorbij Kadesh terug veroverde op de Hittieten. Seti wilde in eerste instantie wraak nemen op de veroveringen van Suppiluliuma (1344 - 1322), maar daarnaast gold ook voor hem hoogstwaarschijnlijk het prestigemotief en wilde hij zich gelijk stellen met Thoetmosis III (1458 -1427 v. Chr.) en indien mogelijk hem overtreffen. 

Deze slag viel echter geheel in het niet bij de slag die in 1274 v.Chr. geleverd zou worden tussen Muwatalli II en Seti's opvolger Ramses II (1279 – 1213): de slag bij Kadesh : de grootste veldslag uit de Hittitische geschiedenis. Bij deze slag streden de gehele legermachten van Egypte en Hatti tegen elkaar. Als we de bronnen uit Thebe mogen geloven won Ramses II op sublieme wijze, maar de tabletten die in Hattusa gevonden zijn beweren het tegenovergestelde. Waarschijnlijk bleef de strijd onbeslist en gezien het feit dat de Hittieten na korte tijd de grens van hun rijk weer verlegden tot voorbij Kadesh, kan men stellen dat de Hittieten er uiteindelijk beter vanaf kwamen. De situatie bleef echter gespannen, maar beide grootmachten hadden geld noch middelen om een tweede massale veldslag aan te gaan.

 

Ca. 1275 v. Chr. werd Troje Vl in de staat Assuwa door een aardbeving verwoest. 

Bovenop de puinhopen van Troje werd een nieuwe nederzetting gebouwd (Troje Vll) en werd de verdedigingsmuur weer opgebouwd. De nederzetting (Troje Vll a) heeft maar korte tijd bestaan. Omdat deze laag door brand werd verwoest, vermoedt men dat dit het Troje van Homerus was.

Mursili lll, zoon van Muwatali ll - Uhri-Tesub (1272 – 1267)

Hattusili lll (ca. 1267-ca. 1237), broer van Muwatalli ll

Na een korte interne crisis met het schrikbewind van Uhri-Tesub (1272 – 1267), kwam de broer van Muwatalli II aan de macht: Hattusili III (1267 – 1237). Hij ontpopte zich als een geniale diplomaat, de beste die de Hittieten ooit gekend hebben.

Gedurende zijn regeerperiode heeft hij geen enkele strijd geleverd, maar correspondeerde hij voortdurend met en sloot hij talloze verdragen en verbonden af met veel van zijn vazalstaten en met de steeds machtiger wordende staat van de Assyriërs. Uiteindelijk sloot hij in 1270 een vredesverdrag af met de Egyptische farao Ramses ll: het verdrag van Kadesh. Daarin kwamen zij overeen elkaar niet de oorlog te verklaren en elkaar te hulp te komen, mocht één van hen worden aangevallen door een ander land. De uiteindelijke motivatie voor het sluiten van dit verdrag was van de kant van Hattusili waarschijnlijk een machtslegitimatie doordat de farao deze macht erkende, waardoor zijn geloofwaardigheid als vorst jegens bijvoorbeeld Assyrië toenam. Van de kant van Ramses was het waarschijnlijk een genoegen nemen met de onmogelijkheid van nog een grote veldslag en was een vredesverdrag met de grootste macht uit het Nabije Oosten altijd beter voor de diplomatieke status van de farao dan geen vredesverdrag. 

Het verdrag van Kadesh is het oudst overgeleverde vredesverdrag uit de menselijke geschiedenis. Er werden twee versies opgesteld: in Hattusa één in het Akkadisch en in Thebe één in het Egyptisch. De Akkadische versie werd naar Eypte vervoerd, en daar vertaald naar het Egyptisch en in een muur van de tempel van Amun in Karnak gebeiteld (zie afbeelding 1). De Egyptische versie werd naar Hattusa vervoerd en daar in het Akkadisch vertaald op een duurzaam tablet (zie afbeelding 2) – dit geeft eens te meer rol van het Akkadisch als internationale voertaal aan. Opvallend is hierbij dat de twee versie niet geheel identiek aan elkaar zijn, maar dat de Egyptenaren de versie die iets gunstiger was voor de Hittieten op hun eigen tempel hadden afgebeeld en de Hittieten de versie die voor de Egyptenaren iets gunstiger was op een duurzaam tablet in hun eigen hoofdstad bewaarden. De situatie tussen Egypte en Hatti bleef nog enigszins gespannen, maar nadat een dochter van Hattusili III in 1246 v. Chr. met Ramses II was getrouwd, bestond er een uiterst goede verstandhouding tussen de twee grootmachten en deze zou er tot het einde van het Hittitische rijk blijven.

In het westen waren er eveneens vijanden. Daar betwistten de staten Assuwa en Arzawa en het volk der Ahhijava (ofwel Achaeërs of Achaïers, Myceense Grieken) het Hittitische beheer over de handelsroutes. 

Tudhaliya IV (1237 - 1209), de jongste zoon van Hattusili lll

Na Hattusili III ging het steeds slechter met het Hittitische rijk. Onder
Tudhaliya IV kwamen er steeds meer schermutselingen voor in de vazalstaten in het westen en langzamerhand begon de macht van de Hittitische koning daar af te nemen. Ook intern waren er conflicten. Zo werd er een staatsgreep gepleegd en kwam in 1228 v. Chr. de neef van Tudhaliya, Kurunta, aan de macht. Na een jaar echter greep Tudhaliya de macht weer. 

De grootste externe vijand bleek nu Assyrië te zijn. In 1223 v. Chr. had de Assyrische vorst Tikulti-Ninurta niet alleen het gehele Babylonische rijk veroverd maar ook zijn rijk uitgebreid naar het noorden toe, ten koste van Hittitisch grondgebied. Hatti stond permanent onder militaire druk van buitenaf. 

Arnuwanda lll (1209 - 1207)

Suppiluliuma ll (1207 - 1178)

Van de twee laatste Hittitische koningen, Arnuwanda III en Suppiluliuma II, is zeer weinig bekend. De bronnen houden abrupt op ergens in de regeerperiode van Suppiluliuma II. Het Hittitische rijk was ten onder gegaan.

Vanaf ca. 1220 v. Chr. doken er nieuwe volkeren op in de gebieden rond de Middellandse Zee. Zij vestigden zich op Sardinië, Sicilië, mogelijk ook op Corsica, in Noord-Italië, Griekenland, Klein-Azië, Syrië en Kanaän. Deze  Egeïsche volksverhuizing. ging soms gepaard met plunderingen en verwoestingen. De volkeren die op drift raakten waren waarschijnlijk afkomstig uit Noordwest-Anatolië, die door het wegvallen van een aantal voormalige (vazal)staten in Arzawa, op zoek ging naar een nieuw bestaan elders. 

Na de verwoesting van Troje Vll a in 1209 v. Chr. door de Achaeërs (Myceense Grieken) tijdens de Trojaanse oorlog (1218 - 1209 v. Chr.), vestigde zich een geheel ander volk op deze plaats, waarschijnlijk een volk dat verwant was aan de Thraciërs. Laag Troje Vll b vertegenwoordigt namelijk een volslagen ander type nederzetting. 

± 1200 v. Chr. staken de Phrygiërs (Byriëges), die oorspronkelijk in Macedonië woonden aan de mondingen van de Vardar en Strouma de Dardanellen (Hellespont) over en vestigden zich in het zuidwestelijk deel van Anatolië. De Dardaniërs verlieten hun oorspronkelijke woongebied de bovenloop van de Vardar om zich te vestigen aan weerszijden van de Dardanellen. In de Ilias werden de bewoners van Troje (Troje Vllb) met dezelfde naam aangeduid.

 Deze massale volksverhuizingen gingen dwars door de Myceense en Hittitische gebieden, maar of deze volkeren de oorzaak zijn geweest voor de gelijktijdige ondergang van het Myceense en Hittitische rijk is nog lang niet zeker, maar een overtuigende alternatieve theorie is nog niet opgesteld en daarbij is het zeer moeilijk de samenhang tussen de ondergangen van deze beschavingen te ontkennen.
Met de ondergang van het Hittitische rijk was een grootmacht uit het Nabije Oosten verdwenen. Een machtsvacuüm moest worden opgevuld. Dit gebeurde pas, na een duistere tussenperiode (1200 – 1000 v. Chr.), door de verscheidene zogenaamde Neo-Hittitische staten, verspreid over heel Klein-Azië, die de Hittitische tradities voortzetten. Eeuwen later, met de Grieken en Perzen, verschijnen er pas weer werkelijke grootmachten, die de Neo-Hittitische staten veroverden en hiermee sluit de door de Grieken zo uitvoerig beschreven geschiedenis van Asia Minor aan op de Hittitische geschiedenis.

Tussen de negende en de tiende - een interview met prof. Hekster

Anatolië (1200 - 900 v. Chr.); Troje (1275 - 1209 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 27-02-07

colofon

 

.