2076

Anatolië (1344 - 1295 v. Chr.) - Hittieten

Anatolië (1430 - 1344 v. Chr.)

Suppiluliuma I (1344 - 1322)

Suppiluliuma I is de geschiedenis in gegaan als de grootste Hittitische koning aller tijden. Hij herstelde de vervallen versterkingen begon daarna met het reorganiseren van het leger. In twee oorlogen maakte hij het Hittitische rijk, na een lange periode van neergang weer tot een labiele en machtig rijk in het Nabije Oosten. Het Hittitenrijk werd meteen in macht een rivaal van Babylonië, Assyrië en vooral Egypte, waar de macht van farao Amenhotep lV (1350 - 1334), beter bekend als Achnaton, sterk was verzwakt.

Suppiluliuma trouwde met de zus van de Hayase koning Hukkana, en zijn dochter Muwatti werd uitgehuwelijkt aan Maskhuiluwa van de staat Mira in Arzawa, een koninkrijk in het westen van Anatolië (de precieze ligging van Arzawa is nog niet volledig duidelijk), in die tijd een van de machtigste staten van de regio. De Luwiërs waren in elk geval naar alle waarschijnlijkheid het overheersende volk in Arzawa. De Luwiërs of Luviërs, ook Luwieten of Luvieten waren een waarschijnlijk aan de Hittieten verwant volk (het Luwisch lijkt sterk op het Hittitisch)  De West-Luwiërs vormden aanvankelijk de Arzawa Federatie bestaande uit drie staten: het Land van de Seha Rivier, Klein Arzawa of Mira met Apasa-Efeze als hoofdstad en ten oosten ervan Hapalla.

Hattusa(s) (Khattusha), de hoofdstad van het Hittitische rijk, werd beroemd om haar burcht en haar stadspoorten, die rijk versierd waren met beeldhouwwerken, de citadel, de regeringsgebouwen die tegen de heuvel zijn gebouwd en de vele tempels in de boven- en benedenstad. Opmerkelijk was ook het openluchtheiligdom van Yazilikaya even buiten de stad. De stad werd versterkt met een dubbele rij muren van massieve stenen en kantelen van baksteen, hoge vierkante torens en vijf grote poorten. 

Reconstructie van de koninklijke burcht in Hattusa

De stad werd daardoor de grootste en best versterkte vestingstad van het hele Nabije Oosten, groter dan Assoer.  

Rechts: De resten van Hattusa

Nadat Suppiluliuma I in zijn rijk orde op zaken had gesteld, heroverde hij het gebied van Arzawa tot aan Hapalla en trok vervolgens ten strijde tegen Mittani, de heersers over de Hoerrieten in het oosten. Shattiwaza (zijn Hoerritische naam was Kili-Teshup), de broer van koning Tushratta van Mitanni, was na de politieke beroering na de dood van zijn voorganger en een poging van de usurpator Shuttarna III om hem te vermoorden, .uit zijn land weggevlucht en had toevlucht gezocht bij  Suppiluliuma I. Shattiwaza  trouwde met de dochter van Suppiluliuma I en keerde terug naar Mitanni met een Hittitisch leger. Shuttarna III, die zich in de tussentijd meester had gemaakt van de troon, werd verslagen. Zijn residentie Washshukkani werd met de grond gelijk gemaakt, en wel zo grondig dat de resten van deze stad nog steeds niet zijn teruggevonden. de koning van Mitanni Tushratta, de voormalige koning van Mitanni werd tijdens de chaos die daarna in het rijk ontstond, vermoord.  Shattiwaza werd uitgeroepen tot de nieuwe koning van Mitanni, maar dit rijk was feitelijk niet meer dan een Hittitische vazalstaat. Shattiwaza ontpopte zich als een kundig bouwer van grote stenen bouwwerken, versierd met steen reliëfs. Tijdens zijn regime ontwikkelde zich het concept van de onschendbaarheid van de koninklijke leiders.
Links: De terugkeer van Suppiluliuma l in Hattusa na zijn glorieuze overwinning op Mitanni.

Na de verovering van Mitanni, liet Suppiluliuma Karkamissa Karkemis, Charchemish) als enig Hoerritisch bolwerk over en veroverde het gebied tot aan Aba (het huidige Damascus), dat toen op Egyptisch grondgebied lag. 

Gebruik makend van Achnaton's zwakke bewind veroverde Suppiluliuma heel Noord-Syrië en sloot hij een verbond met de Amoritsiche Habiru

Habiru, Hapiru of Apiru was een verzamelnaam voor verschillende bevolkingsgroepen in de Vruchtbare Sikkel, van Noord-Oost Mesopotamië over de Kanaänitische regio van de grenzen van Iran tot die van het Oude Egypte, die over een periode van 2000 tot 1200 v. Chr. vermeld worden in verschillende bronnen uit de oudheid van het Nabije Oosten. Afhankelijk van de bron en het tijdperk, werden deze mensen als weinig constructief en eerder als storende amok makende elementen in en rond de gevestigde samenleving benoemd, als nomaden of semi-nomaden, rebellen, vogelvrij verklaarden, roversbenden, huurlingen, dienstvolk of slaven, zich verplaatsende werklieden enzovoort. Deze Habiru moorden en brandschatten, zodat veel Palestijnen naar Egypte vluchten. Waarschijnlijk waren deze Habiroe hetzelfde is als 'Hebreeën'. een naam die zoiets betekent als van 'gene zijde', volkeren die zich destijds in het Midden-Oosten buiten de beschaafde wereld ophielden en door de aangrenzende (half)woestijnen rondtrokken. Als zodanig kan men Hebreeën en Habiru als synoniemen opvatten. De Israëlieten werden oorspronkelijk als Hebreeën aangeduid omdat ze vanuit de Sinaïwoestijn Kanaän binnentrokken. Later is de aanduiding Hebreeën een eigennaam voor de Israëlieten geworden. Carol Redmount concludeert dat de term "Habiru" niet in verband staat met een bepaald volk, dat de Habiru geen gemeenschappelijke taal spraken, maar wel dat zij leefden aan de zelfkant van de gevestigde maatschappij. 

De Egyptische voorpost in Phoenicië, Oegarit, raakte in een moeilijke positie. Ribaddi (Rib-Adi), de koning van Byblos bleef Egypte trouw. 

In het Amarna-archief verhaalt Ribaddi de moeilijkheden in Kanaän en Syrië die door de Habiroe onder leiding van Abdiasjirta (Abdi-Asjirta), gesteund door Suppiluliuma werden veroorzaakt. Zijn eerste brieven waren nog aan Amenhoteb lll gericht, de rest aan diens opvolger  Achnaton. Ondertussen werd de situatie steeds gevaarlijker. Diverse steden liepen over naar de Haripoe en Byblos werd door Abdiasjirta bedreigd.  Achnaton stuurde echter geen hulp en liet Suppiluliuma weten dat hij akkoord ging met een status quo. Hoogstwaarschijnlijk wilde hij een groot conflict voorkomen, mede met het oog op zijn grootschalige hervormingen in Egypte zelf.  Ribaddi vluchtte tenslotte naar Berytus (Beiroet). De Libanon valt in handen van de Haripoe en daarmee van de Hittieten. Na de moord op Abdiasjirta werd hij opgevolgd door zijn zoon Aziroe., die als vazal van Suppiluliuma optreedt.

Vervolgens ondernam Suppiluliuma een tweede oorlog om zijn macht in de veroverde gebieden daadwerkelijk te consolideren. Hij veroverde het laatste Hoerritische bolwerk Karkamissa, maar daarna viel farao Toetankhamon (1334 – 1325) die Achnaton was opgevolgd, de stad Kadesh op Hittitisch grondgebied aan. Kort daarna stierf Toetankhamun echter.

Tijdens de toen woedende oorlog van Suppiluliuma in het Syrische gebied ontving Suppiluliuma een zeer vleiende brief uit Egypte van de Egyptische koningin (mogelijk de weduwe van Toetanchamon) waarin zij hem verzocht uit te huwelijke aan haar één van zijn zonen, omdat zij bang was om met een van haar onderdanen in het huwelijk te treden. Suppiluliuma kon zijn ogen nauwelijks geloven maar wilde toch meer weten en zond daarom zijn geheime secretaris naar Egypte om te onderzoeken of hij niet bedrogen werd. Na een tweede brief van de Egyptische koningin begreep de Hittitische koning dat het een serieuze zaak was en zond inderdaad één van zijn zoons, Zannanza, naar Egypte. Deze zou echter zijn bestemming nooit bereiken. Vlak nadat hij de grens van Egypte had overschreden werd hij vermoord. De opvolger van Thoetankhamun, Ay, stuurde snel een brief stuurde naar Suppiluliuma om zijn onschuld inzake de moord op de Hittitische prins duidelijk te maken en om te vragen geen grootschalig conflict aan te gaan. Suppiluliuma ging op dit verzoek niet in, hield overduidelijk Ay verantwoordelijk voor de moord op zijn zoon en de inbreuk op zijn waardigheid en verklaarde Egypte de oorlog. Na een plunderingtocht tot voorbij Aba verlegde Suppiluliuma de grenzen van zijn rijk tot voorbij Kadesh en consolideerde hij zijn macht in de Syrische gebieden niet slechts door vazalvorsten aan te stellen maar maakte, mede met het oog de onrustige situatie aldaar met het nabijgelegen Egypte en de opkomende macht Assyrië, zijn eigen zonen daar tot onderkoningen – iets wat nog niet eerder gedaan was.

Bron: Tussen de negende en de tiende - een interview met prof. Hekster

Rond 1330 v.Chr. werden de Kaskiërs getroffen door een sprinkhanenplaag, zoals beschreven staat in kleitabletten uit Maşat Höyük.

Arnuwanda II (1322 - 1321)

Arnuwanda ll volgde zijn vader Suppiluliuma I op, die bezweken was aan de pest, welke Egyptische gevangenen van zijn campagne in Kanaän meegebracht hadden naar het Hittitische kerngebied.

Latere Hettitische documenten tonen aan dat Arnuwanda ook besmet was met de pest. Zijn jongere broer Mursili II hielp hem met de voortdurende strijd van de Hittieten tegen de Kaskas en Arzawa. In één zo'n geval schreven de broers naar Karkiya dat zij asiel moesten verlenen aan Manapa-Tarhunta van het land van de Seha rivier (West-Anatolië), die onttroond was bij een staatsgreep. Dientengevolge was Manapa-Tarhunta in staat terug te keren naar het land van de Seha rivier als heerser. Helaas toonde Manapa-Tarhunta zich een aantal jaren later onbetrouwbaar blijken.

Mursili maakte zich zorgen over de Kaskiërs onder Ishupitta en de Kammama, die wellicht hun voordeel konden doen met de toen heersende pest in Hatti. De ervaren commandant Hannutti ging naar Ashupitta, maar hij stierf daar. Ishupitta verklaarde zich vervolgens onafhankelijk

Kort daarna overleed Arnuwanda aan de pest. Hij werd opgevolgd door zijn broer, die de troonnaam Mursili II aannam. Terwijl Arnuwanda II reeds lange tijd door Suppiluliuma voorbereid was om hem op te volgen en respect genoot bij de vijanden van de Hettieten, wordt Mursili in de Hettitische documenten beschreven als relatief jong en onervaren ten tijde van zijn onverwachte troonsbestijging.

Mursili II (1321 – 1295 v. Chr.)

Arnuwanda's broer en opvolger Mursili II schrijftin zijn annalen dat hij deze opstand heeft neergeslagen. In de decennia hierna zouden de Kaskiërs actief blijven in Durmitta en in Tipiya, dicht bij de Tarikarimu berg in het land van Ziharriya, en bij de Asharpaya berg op de weg naar Pala. Zij kwamen allen in opstand of pleegden overvallen op enorme schaal. Aanvankelijk versloeg Mursili de Kaskische stammen één voor één. Toen verenigden de Kaskiërs zich onder Pihhuniya of Tpiya. Pihhuniya veroverde Istitina en trok verder naar Zazzissa. Maar Mursili versloeg dit leger en bracht Pihhuniya naar Hattusa als gevangene. Mursili ging toen over op een meer defensieve strategie door een keten van grensforten aan te laten leggen. 

De macht in het zuidoosten van het rijk was nu op een degelijke wijze gevestigd. Het was de taak van Suppiluliuma’s opvolger Mursili II, 1321 – 1295 v. Chr., deze situatie in stand te houden. Dat is hem gelukt, maar daarnaast vestigde Mursili zijn aandacht op de door Suppiluliuma met rust gelaten streken: Arzawa en het gebied van de Kaska (Kaskiërs). Gezien het feit dat de Kaska nog in stamverband leefden en hun leefgebied (het gebied ten noorden van het Hittitische rijk tot aan de Zwarte Zee) elke staatkundige infrastructuur miste, kon Mursili daar geen vazalvorst aanstellen. Hij dreef de Kaska echter ver terug naar het noorden en verzwakte hen zodanig dat zij zich, voor de rest van zijn regeerperiode, rustig hielden. 

Vervolgens onderwierp hij de meeste koninkrijken van Arzawa en maakte die tot vazalstaten. Hiermee strekte het Hittitische rijk zich uit over een oppervlakte en had het een stabiliteit bereikt die het nooit meer zou bereiken, en men kan – het eenzijdige, arbitraire gehalte van een dergelijke uitspraak in gedachte houdend – daarmee stellen dat het Hettitische rijk zijn grootste hoogtepunt had bereikt.

Onder Mursili ll  bereikte het rijk der Hittieten zijn grootste omvang. Het strekte zich dan van de Egeïsche Zee tot over de Eufraat in het land van de twee rivieren, in het noorden tot aan de Zwarte Zee en in het zuiden tot de vlakte van Syrië. 

In 1299 werd bij Kardesj (Kadesh) één van de grootste veldslagen uit de oudheid gestreden tussen koning Muwatalli en Ramses ll. De strijd eindigde onbeslist. In de periode daarna spaarden beide rijken hun krachten om het hoofd te kunnen bieden aan een nieuwe vijand: Assyrië

De vele spijkerschriftteksten die in de heiligdommen en archieven van Hattusa zijn gevonden belichten de geschiedenis van het rijk tussen ± 1650 en 1200 v. Chr. Ook in Masat Höyük in de provincie Tokat zijn Hittitische teksten gevonden. De opgravingen daar hebben aangetoond dat Masat Höyük een belangrijke grensvesting is geweest, gelegen tegen het gebied van de Gasga-nomaden. 
De rotsreliëfs uit Yazilikaya en andere plaatsen dateren uit deze tijd. Ook werden er veel kleine beeldjes gemaakt van bergkristal, ivoor en brons.

Troje (Troje Vl: ± 1900 - ± 1275 v. Chr.) vormde een belangrijk centrum in het noordwesten van Anatolië

Anatolië (1300 - 1200)

laatst bijgewerkt: 17-08-08

colofon