2602 |
Etrusken (Tyrsênoi) |
De Etrusken vestigden zich in het gebied van de Umbriërs, ruwweg tussen de rivieren de Arno en de Tiber. De Etruskische cultuur neemt een aanvang met de zogenaamde Villa Nova cultuur die zich ontwikkelde in de 10e eeuw v. Chr. en zich voor het eerst manifesteerde omstreeks 900 v. Chr.
De Etrusken waren een buitengewoon welvarend volk dat goed van de geografische omstandigheden gebruik wist te maken. Met irrigatietechnieken brachten zij de bodem in cultuur, uitgestrekte bossen leverden hout voor de huizen, schepen en het branden van de ovens. Hun rijkdom berustte op de exploitatie van ertsmijnen (ijzer, koper en tin) en de export van wijn, landbouwproducten en ambachtelijk vervaardigde gebruiksvoorwerpen. |
![]() |
Eén van de meest opvallende kenmerken is de hoge organisatiegraad van de Etrusken, die al vroeg tot uiting kwam in de geordende stedenstructuur en een stevige militaire macht. Een prachtige bronzen helm uit de 8e eeuw voor Chr. laat zien dat er in die periode als sprake is geweest van een legerorganisatie. |
De oorsprong van de Etrusken is nog steeds onduidelijk. Eén ding is wel zeker: de Etrusci (Etrusken) waren van oorsprong niet-Indo-Europees. Een theorie gaat terug op de Griekse geschiedschrijver Gedwongen door een hongersnood trok de helft van de bevolking onder leiding van de koningszoon Tyrsênos (Latijn: Tyrrhenus, Ital. Tirreno), de zoon van De Etrusken vestigden zich in het gebied van de Umbriërs, ruwweg tussen de rivieren de Arno en de Tiber. Zij werden naar hun leider Tyrrhenos (de zoon van Telephos en kleinzoon van Heracles) Tyrsênoi (of Tyrrênoi) genoemd, de zee ten westen van hun woongebied zou later hun naam dragen: Tyrrheense Zee. De Romeinen duidden hen aan, de naam heeft dezelfde wortel, als Tusci of Etrusci. |
Het verhaal van Herodotus luidt als volgt: “Onder de regering van Atys, zoon van Manes, deed zich in heel Lydië een grote hongersnood voor. Gedurende enige tijd hielden de Lydiërs hun gewone leven vol, maar later toen de schaarste aanhield, zochten zij oplossingen, waarbij de één met dit, de ander weer met wat anders aankwam. Het zou in die tijd geweest zijn dat men het dobbelen uitvond en het bikkelen en het balspel en alle andere soorten spelen, behalve het damspel, waarvan de Lydiërs de uitvinding niet voor zich opeisen. De manier waarop zij deze uitvindingen aanwenden tegen de honger waren als volgt. Om de andere dag brachten ze de hele dag met spelen door om niet aan eten te hoeven denken, de andere dag speelden ze niet maar aten zij. Zo leefden zij achttien jaar. Maar toen de schaarste in plaats van minder te worden nog groter werd, verdeelde de koning het hele Lydische volk in twee groepen, waarvan de één door het lot werd uitverkoren om te blijven en de ander om het land te verlaten. Zelf stelde hij zich aan het hoofd van de groep, die bestemd was om te blijven en aan het hoofd van de groep die vertrok, stelde hij zijn zoon Tyrrhenus. De Lydiërs die aangewezen waren om het land te verlaten, begaven zich naar Smyrna, bouwden schepen, belaadden die schepen met alles wat zij aan waardevols bezaten en kozen zee op zoek naar grondgebied en middelen van bestaan. Zodoende kwamen zij na langs vele volkeren gevaren te zijn bij de Umbriërs terecht. Daar stichtten zij de steden, die zij nu nog steeds bewonen. Maar zij veranderden hun naam van Lydiërs naar een andere, afgeleid van de naam van de koningszoon die hun aanvoerder was geweest en noemden zich naar hem Tyrrheners.” |
Volgens deze theorie is de Etruskische cultuur in belangrijke mate van oosterse oorsprong. Deze theorie is nimmer bewezen en ook niet waarschijnlijk, want als dat namelijk zo zou zijn, zou de Etruskische cultuur zich al ergens anders (Anatolië) hebben gevormd en daarvoor is geen enkel bewijs gevonden. Anderen beweren echter weer dat de taal van Etrusken nauw verwant is aan het Hittitisch. In Hittitische documenten uit de 14e en 15e eeuw v. Chr. komt de naam voor Troje voor als Toeroesch en Troesya. Vanuit die naam zou later de naam E-trus-ci zijn afgeleid. Verder was het reeds lang bekend dat de Tyrsênoi aan de noordkust van Klein-Azië woonden. Herodotus schrijft in Historiën 1, 57 dat in Plakië en Skylakê, twee plaatsjes aan de Propontis (Zee van Marmora) ten oosten van Kyzikos, dezelfde taal werd gesproken als in Kreston. Dionysos citeert deze passage maar geeft Kroton in plaats van Kreston. Er bestaat geen Kreston, het moet Kroton zijn geweest en daarmee wordt de Etruskische stad Cortona in Etrurië bedoeld. Herodotus schrijft dat de stad hyper Tyrsènoon ligt. Klopt precies voor Corton: ten noorden van de Etrusken, oftewel aan de noordgrens van de Etrusken. De onvermijdelijke conclusie is dat in Plakië en Skylakê Etruskisch werd gesproken en dat daar dus Etrusken zaten. |
Tarchon, de broer van Tyrrhenos, de Etruskische heros van de Etrusken in Italië was de stedenstichter bij uitstek, de specialist van de godsdienst. Hij heeft de macht over de bliksem. De Griekse geleerde dichter Lykophron (3e eeuw v. Chr.) noemt hem als de leider van de Etrusken naar Italië, naast Tyrsenos. Het is onontkoombaar in Tarchon de belangrijkste Anatolische god de Teshub, de Stormgod, de god Tarhun te zien. Dat is op zichzelf al voldoende bewijs voor de Anatolische herkomst van de Etrusken. Tarchon stichtte samen met zijn broer Tyrrhenos twaalf steden: Arretium (Arezzo), Caere (Cerveteri), Clusium (Chiusi), Faesula (Fiesole).Perusia (Perugia), Populona, Rusellae (Roselle), Tarquinii (genoemd naar Tarchon), Vetulonia, Volaterrae (Volterra), Volsinii (Bolsena) en Vulci (Volci). |
![]() |
De Pelasgen woonden - aldus Homeros - dichtbij Troje en waren bondgenoten van de Trojanen. Pelasgen is - aldus Beekes - de oude benaming van de Tyrsênoi. In de Ilias boek 2, vers 840 noemt Homeros Léthos als vader van twee aanvoerders van de Pelasgen. De naam Léthos komt verder nergens voor, maar het Etruskisch kent de naam Lethe. Dit maakt het volgens Beekes "zeer aannemelijk dat de Tyrsênoi (de Etrusken dus) vlak bij Troje woonden, in het uiterste noordwesten van Klein-Azië. Niet bekend is hoe oud Homerus' mededeling is. Zij kan uit zijn eigen tijd stammen, 8e eeuw v. Chr., maar bewaard in de mondelinge traditie teruggaan tot de 14e eeuw v. Chr. Ook de naam Nanas, de leider van de Pelasgen, komt in Griekenland niet voor, aldus Hellanikos, een jongere tijdgenoot van Herodotus, "Het is een Anatolische naam die men terugvindt in het Lydisch, Hittitisch en Luwisch." |
![]() |
Het gebruik van het houden van een triomftocht berust op godsdienstige voorstellingen, die door de Etrusken uit Klein-Azië naar Italië is gebracht, zo heeft H.S. Versnel in zijn dissertatie uit 1970 al overtuigend aangetoond. Die triomftocht was niet zo maar wat: de overwinnende Romeinse generaal werd daarbij met de oppergod Jupiter geïdentificeerd. De Etruskische koning, in het bijzonder de hoogste koning van de federatie van 12 Etruskische steden, voerde als gezagssymbool de bipennis, de dubbele bijl. Ook de Lydische koningen droegen de dubbele bijl als symbool van hun gezag.
|
Ruim vier eeuwen na Herodotus, toen de Etrusken inmiddels met geweld in het Romeinse Rijk waren opgenomen en hun taal al bijna niet meer werd gesproken, bracht de Griekse geschiedschrijver en rector Dit volk had zich staande weten te houden tijdens de invasies van Indogermaanse groepen uit het noorden. De oosterse invloeden moeten worden toegeschreven aan de handelscontacten die de Etrusken met volkeren uit het oosten onderhielden. De vooraanstaande Italiaanse Etruscoloog Massimo Pallottino concludeert eveneens dat de Etrusken een autochtoon volk waren en dat zij hun alfabet hebben geleerd van de Griekse kolonisten in de buurt van het huidige Napels. Daar staat echter tegenover, dat het gebied dat door de Etrusken werd bewoond, Toscane, een van de vruchtbaarste streken van Italië is. De binnenvallende Indo-Europese volkeren zouden ze zeker hebben veroverd. Logischer zou daarom zijn dat een van over zee komend volk, op zoek naar nieuwe woonplaatsen, zich juist daar vestigden en mettertijd de Umbriérs terugdrongen. Plinius schrijft dat de Etrusken 300 Umbrische steden innamen. Later voegde er zich nog een derde theorie bij. De Etrusken zouden uit het noorden, via de Alpen naar Italië zijn gekomen. Deze opvatting leunde op de mededeling van de Romeinse geschiedschrijver |
Zo stonden de twee scholen opnieuw lijnrecht tegenover elkaar. De oriëntalisten, de aanhangers van Herodotus, die de Etrusken zagen als Klein-Aziatische immigranten uit Lydië. En de autochtonisten, die het Etruskische volk zagen als een autochtoon volk, dat zich ondanks het binnendringen van Indo-Europese volkeren en de daarmee gepaard gaande verspreiding van de Strijdbijl-) en Enkelkamergrafculuur (ca. 3200 - 2500 v. Chr.) in Italië had weten te handhaven. De Leidse hoogleraar vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap R.S.P. Beekes deed onderzoek naar de precieze woonplaats van de Lydiërs in Klein-Azië. Bij Homeros heten de Lydiërs Mêiones. Uit Beekes' onderzoek bleek dat die naam etymologisch is afgeleid van Mâsas, maar waar lag dat? De Duitse Hittietoloog F. Starke had eerder Mâsas in het noorden van Klein-Azië gesitueerd. Beekes verbond dat met wat Herodotus en de Griekse geograaf Strabo hadden gemeld. Zij schreven dat in het noorden, in de buurt van de berg Olympus, "Lydische kolonisten" waren gevestigd. Volgens Beekes vormden deze Lydiërs de rest van de oorspronkelijke bevolking. Omstreeks 1200 v. Chr. drongen de Phrygiërs uit het hun woongebied in Macedonië aan de mondingen van de Vardar en Strouma. (Paphlagonië) door in Klein-Azië en verdrukten de daar wonende Lydiërs. De Phrygiërs vestigden zich in het Lydische woongebied ten zuiden van de Hellespont en Prpopontis (Zee van Marmara) en verder naar het zuidoosten. Tussen 900 en 700 v. Chr. werd Noord-West Anatolië gaandeweg door de Phrygiërs bewoond. |
De Lydiërs hadden - totdat zij werden verdreven - geografisch gewoond aan de rand van de Anatolische wereld, wat verklaart waarom het Lydisch onder de Anatolische talen een geïsoleerde plaats inneemt. Volgens Beekes moeten de Phrygiërs tegelijk met de Lydiërs ook de Tyrsênoi hebben weggedrukt. De Phrygiërs raakten omstreeks 1200 v. Chr. op drift, maar waren niet de enigen. Het gehele oosten van de Middellandse Zee was in beroering (Egeïsche volksverhuizing). Het was een tijd van droogte en hongersnood. Het Hittitische rijk en de Myceense wereld stortten in, volkeren raakten op drift, gingen de zee op. De emigratie van de Etrusken past zeer goed in die tijd. "De Tyrsênoi hadden het al moeilijk onder de Lydiërs. Ze moeten een gedoogde minderheid zijn geweest, met een andere taal. Ze zaten op de rand van het Lydisch gebied, aan de kust, op de eilanden. Toen in 1200 v. Chr. de druk te groot werd, namen de boot. In groepen, in golven waarschijnlijk. Sommigen bleven achter op de kust en de eilanden. Uit overvloedige vondsten van Myceens aardewerk uit de 13e eeuw v. Chr. weten we dat de Myceners op Italië voeren, de zeeweg was bekend. Mogelijk waren er al contacten en zochten de Tyrsênoi in Italië de metalen waaraan ze hun latere bloei zouden danken." Als bezwaar tegen deze theorie wordt echter naar voren gebracht, dat in de keten van beschavingen in Midden-Italië geen voorwerpen zijn te vinden die duiden op een immigratie van een vreemd volk. Archeologisch bewijs ontbreekt. Beekes: "Maar wat doen mensen die op de vlucht zijn? Die nemen geen voorwerpen mee van materiële cultuur, hoogstens een zak met water. Langzamerhand is echter wel duidelijk geworden dat zo'n breuk aan het begin van de Villa-Novacultuur, ongeveer 1200 v. Chr. wel degelijk aanwijsbaar is. |
Herodotus' verhaal over de Lydische herkomst van de Etrusken is dus juist, aldus Beekes. Lydië lag alleen noordelijker dan in Herodotus' tijd (5e eeuw v. Chr.). In zijn tijd, meer dan zeven eeuwen later, lag Lydië in het midden van Klein-Azië, omringd door land, zonder haven.
rechts: het oorspronkelijke woongebied van de Lydiërs, later (8e eeuw v. Chr.) dat van de Phrygiërs.
|
![]() |
Herodotus vroeg zich dus af, wáár de Tyrsênoi wegvoeren en koos voor Smyrna. Dat die havenplaats vóór 1200 v. Chr. nog niet bestond, kon hij nog niet weten. De Lydiërs die hij ondervroeg wisten waarschijnlijk ook niet dat zij zuidelijker woonden dan hun verre voorvaderen. rechts: het latere woongebied van de Lydiërs |
![]() |
![]() |
Een in 1884 op het eiland Lemnos in het noorden van de Egeïsche Zee, gevonden grafzuil (stèle) vertoont het hoofd van een krijgsman in profiel met speer en schild. Op de voor- en zijkant van de zuil staan ruim dertig woorden waarvan sommige meer dan eenmaal voorkomen. Taalgeleerden zijn het er over eens dat het hier gaat om een voor-Griekse taal die op Lemnos werd gesproken en nauw verwant is aan het Etruskisch. De inscriptie dateert uit het eind van de 6e eeuw v. Chr. en maakt melding van Holaies, waarschijnlijk afkomstig uit Phocaea in Klein-Azië en op 60 jarige leeftijd overleden. Volgens Beekes duidt deze steen erop dat zich op Lemnos en aan de kust en op andere eilanden een Etruskisch sprekende bevolking (Tyrsênoi) heeft weten staande te houden. |
De meeste Tyrsênoi voeren onder druk van de Phrygische inval naar Italië. L.B. van der Meer (archeloog, verbonden aan de Universiteit van Nijmegen) zet wel vraagtekens daarbij: "De Tyrsênoi vestigden zich ca. 800 v. Chr. op Lemnos en dat strookt niet met wat Herodotus vermeldt: de Tyrsênoi verhuisden na de val van Troje (1209 v. Chr.) uit Lydië naar Etrurië. Het is ook niet uit te sluiten dat de Etrusken zich na de tijd van Homeros op Lemnos vestigden. Rond 1100 v. Chr., dus een eeuw na de val van Troje, gaat men in Etrurië over van begraven op cremeren, begint de bevolking zich te concentreren en neemt het aantal nederzettingen toe. Maar deze veranderingen bewijzen - aldus van der Meer - niet dat massa's vreemde immigranten uit Klein-Azië naar zijn binnengedrongen. Er zijn geen sporen van geweld. De meeste archeologische voorwerpen getuigen van een ambachtelijke traditie die haar oorsprong vindt in de Appenijnse bronstijdcultuur uit het tweede millennium voor Chr. Het overtuigende bewijs voor een volksverhuizing van Tyrsênoi naar Etrurië ontbreekt, concludeert van der Meer. Beekes theorie vindt geen steun in de archeologie." |