2196

Mycene (1200 - 1150 v. Chr.)

Mycene (1237-1200) De Trojaanse Oorlog - de terugkeer van de helden

Ca. 1200 v. Chr. werd in Athene een citadel gebouwd: de Acropolis. Waarschijnlijk stond op de heuvel alleen een paleis.

1189 Langs de kust van de Middellandse Zee worden steden platgebrand. 

In 1199 v. Chr. keerde Odysseus van zijn reis terug in Ithaca.

Tussen 1190-1150 v. Chr. veranderde het hele gebied in grote chaos als gevolg van de Egeïsche volksverhuizing. Vanuit het noorden of oosten vielen drongen de Doriërs (de voorouders van de latere Grieken) het Griekse vasteland binnen (ca. 1190 v. Chr.). Zij waren chronologisch de laatste groep van Grieks sprekende stammen, die het Griekse schiereiland, via Illyria (de Adriatische kuststrook), binnendrongen, vermoedelijk in de periode 1200-1000 v.Chr. Deze migratie wordt daarom ook wel de Dorische volksverhuizing genoemd. 

Orestes (1201 - 1150)

Orestes was s de zoon van Agamemnon en Clytaimnestra en de broer van Elektra, Chrysothemis en Iphigeneia. Hij trouwde met Hermione, dochter van zijn oom Menelaos.

In 1201 werden Clytaemnestra en haar minnaar Aegisthus uit wraak door Orestes gedood.

Na de moord op zijn vader zinde Orestes op wraak. Op een slimme manier wist hij zijn moeder en Aigisthos te misleiden, hij stuurde zijn opvoeder met het bericht dat hij was omgekomen bij paardenrennen tijdens de Pythische Spelen. Aigisthos was blij te horen dat Orestes geen bedreiging meer vormde, maar zijn zuster Elektra was ontroostbaar. Daarna vond zijn broer Chrysothemis een haarlok en bloemen bij het grafmonument van haar vader. Ze lichtte Elektra hierover in en ze waren ervan overtuigd dat Orestes nog leefde. Niet veel later ontmoette Elektra Orestes en hielp hem het paleis in te komen. Daar doodde hij zijn moeder en stopte haar in de kist die voor hem bedoeld was. Aigisthos zag de kist en meende dat Orestes erin lag, die op dat moment echter naast hem kwam staan. Aigisthos herkende hem niet, opende de kist en zag dat zijn vrouw erin lag, vervolgens werd ook hij gedood door Orestes.

Na de dood van Clytaemnestra en Aigistos werd Orestes, verdreven door de Erinyen, de wraakgodinnen en moest hij als vluchteling zijn vaderland verlaten, dat hij zo kort tevoren had teruggevonden. Pylades, zijn trouwe vriend, volgde hem. Na een lange zwerftocht kwamen zij eindelijk in het gebied van Delphi. In de tempel van Apollo, waar de wraakgodinnen geen toegang hadden, vonden zij een vrijplaats. Op aanraden van de god Apollo, reisden de beide vrienden later naar Athene, waar de godin Athena de gefolterde Orestes van de wraakgodinnen bevrijdde.

Ca. 1100 v.Chr. veroveren de Doriërs het Griekse vasteland en de eilanden Kreta, Levkas en Rhodos. Androclus de zoon van de Atheense koning Kodros sticht met Ionische kolonisten de havenstad Efeze. De stadstaat Sparta ontstaat.

De Ioniërs, de oudste stamgroep der Grieken, die het schiereiland al binnen gedrongen waren sedert ca. 1900 v.Chr., werden door de Doriërs verdreven hen van het vasteland met uitzondering van Attika. Zij vestigden zich op de noordelijke Cycladen (o.a. Naxos) en Sporaden (o.a. Chios en Samos) en de westkust van Klein-Azië ten zuiden van Smyrna, waar hun belangrijkste steden kwamen te liggen (o.a. Milete, Ephese) Dankzij hun zeer gunstige ligging als schakel tussen oost en west kwamen deze steden zeer snel tot bloei. Waarmee een hoge culturele welvaart gepaard ging. Griekse dichtkunst, filosofie, geschiedenis en wetenschappelijk onderzoek vonden in Ionisch gebied hun oorsprong. Onder de Grieken waren de Ioniërs over het algemeen intellectueel en artistiek het meest begaafd. Deze karaktertrekken maakten hen tot grote individualisten, waarvan zeer grote politieke twisten het gevolg waren.

De Myceense koningen hadden veel van hun vroegere macht verloren, ook omdat hun gebieden waren getroffen door grote natuurrampen. Hun burchten werden regelmatig geplunderd en in brand gestoken door benden zeerovers en avonturiers. De in allerijl gebouwde verdedigingswerken mochten niet baten. 

Omstreeks 1180 v. Chr. maakten Egyptische annalen melding van invallen van zeevolkeren.  Zij werden uit Egypte verdreven en enkele invallende volkeren vestigden zich in Palestina. 

Omstreeks 1150 v. Chr. werden de Myceense burchten geplunderd en in brand gestoken door benden zeerovers en avonturiers. Door de Egyptenaren werden zij aangeduid met "Zeevolkeren", omdat zij van over de Middellandse Zee kwamen. Maar lang niet al deze volkeren waren "van overzee" afkomstig. Ook in Klein-Azië, op Cyprus en de Levant werden op grote schaal steden verwoest. In allerijl werden er verdedigingswerken gebouwd, maar dit mocht niet baten. De massieve burchtmuren konden het Myceense rijk niet langer beschermen. Het paleis in Pylos ging in vlammen op, met het hele archief van kleitabletten. Met Tiryns ging het niet beter. 

Aan hypothesen over wat er mis is gegaan, heeft het niet ontbroken. Zoals in het geval van het West-Romeinse rijk zijn er diverse factoren en oorzaken naar voren gebracht, zowel menselijke als buitenmenselijke. Tot die laatste behoren dramatische klimaatsveranderingen en vulkanische catastrofen., natuurrampen die als katalysatoren zouden hebben gewerkt voor de "horden" die uiteindelijk het verwoestingwerk afmaakten. Er zijn ook historici die een verklaring voor de ondergang van de Egeïsche wereld zoeken in de interne verhoudingen van de betrokken maatschappijnen. Een combinatie van interne "verzwakking", waardoor ook veroorzaakt en externe agressie zou het antwoord kunnen zijn op de vraag waardoor een hele cultuurwereld zo plotseling ineen kon storten. Robert Drews komt een heel andere hypothese: De staten van de Late Bronstijd steunden op strijdwagens. In hun onderlinge oorlogen speelde de infanterie een ondergeschikte plaats en passieve rol. De cavalerie bestond nog niet. In het Egyptische leger was die infanterie bewapend met speren of lange metalen staven en korte steekwapens. Maar in de oorlogen tussen de legers van de Bronstijdstaten werd e uiteindelijke slag uitgevochten door de korpsen strijdwagens met hun boogschutters. Dit ging goed, zolang men met dezelfde tegenstanders te maken had. Maar een nieuw wapen, geïntroduceerd door vreemdelingen, bracht hierin radicaal verandering: het zwaard, of liever: het houw-en-steek-zwaard, omdat korte, alleen voor steken bedoelde zwaarden, al bekend waren. De nieuwe zwaarden waren hadden een bronzen kling van 70 tot ruim 90 centimeter. Dit maakte de strijder die het hanteerde tot een gevaarlijke tegenstander van elke infanterie en óók van de strijdwagenstrijders op hun lichte wagentjes, als die binnen het bereik van de zwaardvechters kwamen. Het betekende het einde van de militaire hegemonie van de strijdwagen en de terugkeer van de infanterie als de "koningin" van het slagveld. Dit nieuwe zwaard had zijn oorsprong in Midden-- en Zuid-Oost-Europa. Dit wapen moet in handen zijn geraakt van min of meer barbaarse Egyptische of Voor-Aziatische huursoldaten. Hun effectiviteit tegen onder andere de strijdwagens van de tegenstanders maakte hen tot begeerde hulptroepen, voor wie naast buit en avontuur vermoedelijk ook beloningen in de vorm van land waren weggelegd. Zo werden barbaarse zwaardvechters aangelokt door de rijkdommen van de Bronstijdbeschavingen in de het oostelijke Middellandse-Zeegebied. Eenmaal doordrongen van hun superioriteit tegenover de inheemse door strijdwagens gedomineerde legers, durfden zij ook verder te gaan en tenslotte waren het tijdelijke coalities van zulke plunderaars en avonturiers die tussen 1200 en 1150 v. Chr. de meeste beschavingscentra van de Late Bronstijd verwoestten en daarmee aan een historische periode een einde maakten. 

Drews hypothese lijkt op en wankele basis te berusten. Waren al deze barbaren wel op grote schaal uitgerust met de nieuwe zwaarden. Hoe wijd verbreid was het gebruik van dit nieuwe type zwaard. De speer was altijd nog een gemener wapen. Speelde de infanterie inderdaad een ondergeschikte rol tijdens de Late Bronstijd? In Egypte en Voor-Azië kwam er na 1200 v. Chr. aan het gebruik van de strijdwagen geen einde, al verloor die wel aan belang, maar dit was niet toe te schrijven aan de verschijning van een nieuw type zwaardvechters, maar aan de opkomst van de cavalerie. 

In de jaren '50 werden de kleitabletten uit het verwoeste paleis van Pylos op de westkust van de Peloponnesos) ontcijferd. Ze stammen uit de allerlaatste tijd vóór de Dorische invasie, waarbij Pylos en andere steden, waaronder Mycene, werden verwoest. Uit de tabletten blijkt dat overal langs de kusten wachtposten waren neergezet om uit te kijken naar naderende vijanden. Met roeischepen werd gepatrouilleerd, omdat men kennelijk bang was voor een invasie vanuit zee 
In het midden van de Peloponnesos lag Arcadia waar nog een oud dialect uit de Myceense  tijd werd gesproken, net als op Cyprus, waar veel oude gebruiken nog lang voortleefden. Arcadia is niet veroverd door de Doriërs. Athene ook niet. Athene was een Ionische stad. De Noordwest-Grieken woonden op het vasteland, op het eiland van Odysseus (Ithaka of Kefallonia, zie de pagina over de Odyssee) en het noordwesten van de Peloponnesos, tot aan het riviertje de Alfeios, waaraan Olympia (van de Olympische spelen) lag.

De kleitabletten die onder het puin van het paleis in Pylos zijn gevonden en moeten geschreven zijn kort voor de grote paleisbrand, Hierin wordt een processie beschreven waarin gouden vazen worden meegedragen en mensen meegevoerd als offergaven voor diverse goden en godinnen. Kennelijk heeft koning Nestor getracht met deze uitzonderlijke offergaven de bescherming van de goden af te smeken tegen de naderende vijand. De paleisbrand heeft ons geleerd dat de goden hieraan geen gehoor hebben gegeven.

De laatste Myceense koning Orestes vluchtte naar Arcadië in het binnenland van de Peloponnesos. Athene bleef een invasie gespaard. De laatst overgeblevenen uit het Koninklijke geslacht van Nestor (koningen van Pylos) namen hierheen de vlucht. Zij zouden later de Atheense adel vormen. (z. Athene (1200-753)

Griekenland (1150 - 800 v. Chr.) Athene (1200-753

Gemaakt: 05-03-03; laatst bijgewerkt: 26-01-11

colofon